Tertio 1095 - Dringende oproep tot bekering

Focus: het teken van Jona

Dringende oproep tot bekering

In het evangelie van Mattheüs en van Lucas wordt Jezus om een teken gevraagd. Jezus antwoordt dat een “slecht en overspelig”, kortom “verdorven geslacht”, alleen het teken van Jona zal worden gegeven, zoals Jona een teken was voor de Ninevieten. Wat bedoelden de evangelisten daarmee? Tertio gaat daarover in gesprek met Joseph Verheyden (1957), hoogleraar Nieuw Testament aan de KU Leuven. 

Het boek Jona is bijzonder kort, maar het verhaal van de onwillige profeet die zijn opdracht ontvlucht, verzwolgen wordt, aan de dood ontsnapt en met een korte boodschap de inwoners van Nineve tot bekering brengt, spreekt ook nu nog tot de verbeelding. Voor de evangelisten was het voldoende “het teken van Jona” te vermelden om specifieke associaties op te roepen. 

“De uitdrukking ‘het teken van Jona’ komt drie keer voor in de synoptische evangelies, twee maal bij Mattheüs (12, 39 en het partiële doublet in 16, 4)  en een keer bij Lucas (11, 29). Materiaal dat op die manier dubbel geattesteerd is, wordt in de klassieke synoptische hypothese toegeschreven aan een gemeenschappelijke bron, die Quelle of Q wordt genoemd. Beide evangelisten hebben die benut naast het evangelie van Marcus en soms in combinatie met Marcus. Ook in Marcus 8, 11-12 wordt Jezus door de farizeeën om een teken gevraagd. Zij krijgen in Marcus evenwel het antwoord dat er geen teken komt. Over Jona wordt niet gerept. Mattheüs en Lucas knopen beiden aan bij die passage in Marcus, maar wijzigen diens tekst grondig. In Marcus weigert Jezus ronduit in te gaan op de vraag van de farizeeën naar een teken uit de hemel. Voor Marcus is hun vraag niet oprecht maar een manier om Jezus’ autoriteit op de proef te stellen. Marcus insinueert dat zij toch niet zullen geloven. Mattheüs en Lucas wijzigen Marcus resoluut op dat punt en verkiezen de versie van hun gemeenschappelijke bron. De meerderheid van de exegeten is van mening dat Lucas de tekst van Q het best heeft bewaard. Daarin worden Jona en de Mensenzoon voorgesteld als een teken voor hun tijdgenoten, respectievelijk de Ninevieten en de toehoorders of “dit geslacht”. Er wordt niet gezegd waarin dat teken bestaat, maar de veroordeling die volgt, maakt duidelijk dat het te maken heeft met het al dan niet aanvaarden van de boodschapper en zijn boodschap. De Ninevieten deden dat alsnog, de ‘huidige generatie’ doet dat niet en zal er de gevolgen van dragen, aldus Jezus. Mattheüs verduidelijkt expliciet: het teken van Jona is zijn driedaags verblijf in de walvisbuik, dat vergeleken wordt met de tijd dat de Mensenzoon, waarin de lezer uiteraard Jezus herkent, in het graf zal liggen”, stelt Joseph Verheyden bij wijze van inleiding. 
 


Het Griekse woord kètos kan volgens Joseph Verheyden het best vertaald worden door “zeemonster”.  © rr
 

In Mattheüs 16, 1-4 verwijt Jezus de farizeeën en sadduceeën wel het avondrood en het morgenrood te kunnen duiden, maar niet “de tekenen van de tijd”. Welke tekenen moet een lezer uit de eerste eeuw daaronder verstaan?

“Expertise of vertrouwen inzake weersvoorspelling is relatief en onschuldig vergeleken met waar het Jezus echt om te doen is. Er wordt niet gezegd wat ‘de tekenen van de tijd’ zouden zijn, maar ze hebben evident met het optreden van Jezus en met Zijn persoon te maken. De toehoorders hebben voldoende van Hem gezien en over Hem gehoord om te weten wat er aan het gebeuren is: de Messias is gekomen, Jezus is die Messias, en geloof in Zijn persoon en Zijn boodschap brengen redding. Dat is al meermaals duidelijk gemaakt in wat voorafging. De tekenen zijn dus in de tekst te vinden en wie ze nog niet heeft gezien, is ziende blind. De toon is hard, maar de belangen zijn groot voor alle betrokkenen. Dat de farizeeën – in Mattheüs 16 vergezeld van de sadduceeën – na Mattheüs 12, 38-42 nog een tweede maal dezelfde fout begaan, maakt de zaak voor hen alleen maar erger.” 

Aan “het teken van Jona” in Mattheüs 12 gaat onmiddellijk een verwijzing naar het oordeel vooraf. Suggereert Mattheüs dat het oordeel nabij is wanneer hij stelt dat “dit geslacht” zal opstaan met de mensen van Nineve en de koningin van het Zuiden?

“In wat voorafgaat, wordt inderdaad een oordeel aangekondigd. Van dat oordeel, dat uitsluitend als een veroordeling wordt gedacht, wordt nu gezegd dat het in zekere zin mee zal worden uitgesproken door heidenen – de inwoners van Nineve en de koningin van Sheba – die tegen Israël zullen getuigen en Israël zullen veroordelen. De Ninevieten, die naar Jona’s prediking luisterden, en de koningin van Sheba, die in de ban was van de wijsheid van Salomo, zullen volgens Mattheüs en Lucas op de dag van het oordeel getuigen tegen hen die niet in Jezus geloven, ondanks dat ‘dit geslacht’ geconfronteerd werd met een figuur die grootser is dan Jona of Salomo. Over hoe nabij het oordeel is, wordt niet gespeculeerd, maar de dreigende taal werkt alleen als dat als nabij wordt gedacht, en dat is ook wat de oproep tot bekering impliceert die Jona predikt. De strategie werkt eenvoudigweg niet als er geen perspectief van onmiddellijke dreiging mee verbonden is.” 

Waarom hanteren de evangelisten de vreemde formulering “hier is méér dan” Jona en Salomo wanneer Jezus met hen wordt vergeleken?

“Belangrijker dan de formulering is wat er met het ‘meer’ bedoeld kan zijn. Waarin bestaat het ‘meer’ dat Jezus biedt of is? Commentatoren zijn heel vindingrijk geweest. Wat Jona betreft, kan het verwijzen naar het onderscheid in de persoon: een profeet versus de Messias en Zoon van God, of in hun daden: Jezus verrichtte wonderen, Jona niet, hoewel wat hij in Nineve deed daar wel zou kunnen onder vallen. Of: Jona stierf niet echt, Jezus wel, of nog: Jona gaf Nineve maar één kans, Jezus bleef proberen Israël te bekeren. Mattheüs noch Lucas verduidelijkt en ze laten alle opties open. Op het niveau van het verhaal kan worden gesteld dat de eerste en de laatste optie het meest plausibel zijn omdat ze onmiddellijk relevant zijn voor het verhaal zelf. Maar de vermelding van een teken en van het verblijf in de vis, respectievelijk het graf laat ook de beide andere opties toe. De vergelijking met Salomo ligt wat eenvoudiger: daar wordt meestal verwezen naar het onderscheid tussen aardse en hemelse rijkdom.”   

Wat maakte de prediking van Jona zo indrukwekkend toen de evangeliën werden geschreven?

“Het boek Jona staat in de Hebreeuwse en de Griekse Bijbel en was dus bekend voor de initieel beoogde lezers. Het is een verhaal dat tot de verbeelding spreekt: een onwillige profeet die tot inkeer komt, een spectaculaire redding en een uiterst positieve respons op de boodschap door een onverwacht publiek. Jona en Jezus hebben twee dingen gemeen – hun prediking en hun redding uit de dood. Jona en Salomo hebben één ding gemeen – de interesse die ze opwekken bij niet-joden. Daarnaast is er evenwel een groot verschil tussen de twee figuren uit het Oude Testament en Jezus. Die verbanden en het verschil worden innovatief met elkaar verweven tot een tekst met een hoog polemisch karakter. Het is de evangelisten er niet zozeer om te doen Jona en Salomo op gelijke hoogte te stellen, maar om beiden tegenover Jezus te plaatsen en wel zo dat ze als zijn minderen worden beschouwd en tegelijk toch een waarschuwend voorbeeld zijn voor Jezus’ kritische toehoorders. Jona en Salomo zijn verre van perfect: de ene was onwillig en diende bestraft te worden, de andere maakte de hoge verwachtingen niet waar en maakte zich schuldig aan ‘heidense’ praktijken. Dat wordt niet gethematiseerd, maar terecht als bekend verondersteld.” 
 


Joseph Verheyden.  © rr
 

Op welk aspect van de prediking in Nineve focust Mattheüs?

“Jona’s prediking is een oproep tot bekering aan een onwillig volk. Dat is een overeenkomst met Jezus. Voor de drie evangelisten, maar vooral voor Mattheüs en Lucas, is bekering een centraal gegeven in de boodschap van Jezus waarmee Hij direct aansluit bij de boodschap van Johannes de Doper die Hij voor eigen rekening herhaalt en waarop Hij voortdurend terugkomt. In beide verhalen, dat van Jona en dat van Jezus, is bekering een kernbegrip in de boodschap én het beoogde doel ervan. Een belangrijk verschil tussen beide is het resultaat. Jona is tegen alle verwachtingen in – niet het minst zijn eigen verwachting – ongelooflijk succesvol. De hele stad doet boete, teken van haar wil tot bekering. Bij Jezus is het net het omgekeerde. Zijn publiek kan niet overtuigd worden en dat is de reden waarom Jona wordt opgevoerd. De uitvoerige verwijzing naar zijn optreden functioneert als een tegenpool en is een ultieme oproep aan de toehoorders en aan allen die zich met hen identificeren om zich alsnog te bekeren.” 

“Jona en Jezus hebben gemeen dat zij aan de dood ontsnapt zijn. Er wordt niet duidelijk gezegd of en hoe de twee thema’s met elkaar verbonden zijn. Wie met het verhaal van Jona bekend is, weet dat natuurlijk. Jona wordt de dood ingejaagd door zijn medereizigers en zijn wonderlijke redding brengt hem ertoe zijn taak uit te voeren. Zijn confrontatie met de dood is zowel straf als noodlot, ze is louterend en reddend. Dat ligt anders bij Jezus. Jezus’ dood is noch straf, noch noodlot. Het is een dood die door God gewild is en die daarom ook overwonnen kan worden.” 

In welke mate is de verwijzing naar het teken van Jona in Mattheüs 12, 40 al een toespeling op de verrijzenis van Jezus? Is dat vers een latere toevoeging?

“In Lucas 11, 30 dat door de meeste exegeten als de tekst van Q wordt beschouwd, wordt alleen gezegd dat Jezus een teken zal zijn ‘voor deze generatie’ zoals Jona dat was voor Nineve. Het wordt aan de verbeelding van de toehoorder of lezer overgelaten wat daarmee is bedoeld. Mattheüs verduidelijkt. Hij citeert Jona 2, 1 over het driedaagse verblijf van de profeet in de buik van de ‘vis’ en vergelijkt dat met het driedaags verblijf van de Mensenzoon in ‘het binnenste van de aarde’ volgens de Nieuwe Bijbelvertaling of in het Grieks ‘het hart van de aarde’, een allusie op Jona 2, 4: ‘U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee’. De verwijzing naar de dood van Jezus is overduidelijk. Sommigen hebben gepoogd dat af te zwakken door te zeggen dat Jezus niet echt de ‘volle drie dagen en drie nachten’ in het graf was. Het is correct dat Mattheüs in de drie lijdensvoorspellingen, anders dan Marcus die van ‘na 3 dagen’ spreekt, altijd zegt dat Jezus ‘op de derde dag’ verrezen is, zonder vermelding van ‘nachten’. Maar dat is haarkloverij. De formule komt letterlijk uit Jona 2, 1 en wordt zonder meer ook voor Jezus gebruikt om de parallel te versterken. De toevoeging heeft Mattheüs op zijn conto, al dan niet als een eigen vondst of een motief uit zijn traditie. Er is geen reden te denken dat het een latere toevoeging is door een of andere kopiist, want de teksttraditie is uniform. Mattheüs voegt wel meer zulke citaten uit het Oude Testament toe. De toevoeging is niet opzienbarend, want ze verwijst naar het meest bekende motief in het verhaal van Jona. Lezers van Lucas maakten wellicht dezelfde associatie. Wat kan het teken van Jona anders zijn in een context waarin hij met Jezus wordt vergeleken? Die passage biedt trouwens een mooi staaltje van de vindingrijkheid van de commentatoren. Meer dan één exegeet heeft de opvatting verdedigd, mede beïnvloed door het verhaal van Jona, dat Jezus’ verblijf  ‘in het binnenste / de schoot van de aarde’ verwijst naar de hellevaart, een motief dat als dusdanig niet vermeld is in de evangelies, maar dat traditioneel in verband gebracht wordt met de bizarre passage in Mattheüs 27, 51-53 over de lijken die rondwaren in Jeruzalem bij de dood van Jezus.” 

In het timpaan boven de hoofdingang van de kathedraal van Antwerpen is de muil van een grote vis de toegang tot de onderwereld of de hel. Is dat naar analogie met het Jonaverhaal en de verwijzingen ernaar in Mattheüs en Lucas?

“Ik ben geen kunsthistoricus of een expert in iconografie. De gewoonte wil dat er gesproken wordt over Jona’s ‘vis’. In het Grieks staat er telkens kètos. Dat kan ‘een grote vis’ betekenen – soms meer specifiek een soort dolfijn –, maar meestal heeft het woord een vagere betekenis en wordt het best vertaald met ‘zeemonster’. De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) en de Willibrordvertaling (WBV) zijn ietwat verwarrend. Ze vertalen het in het boek Jona allebei als ‘vis’. In Mattheüs spreekt de NBV evenwel plots van ‘grote vis’, maar de WBV van ‘zeemonster’. Jona’s vis is een symbool van het kwaad, maar een kwaad dat onderworpen is aan Gods wil, want het beest zet Jona uiteindelijk gewoon weer aan land. Monsterachtige zeewezens zijn evenwel van alle tijden en culturen, zoals Leviathan om in een Bijbelse context te blijven. Het motief van de monsterlijke vis in christelijke oordeelsscènes kan mede door het Jonaverhaal geïnspireerd zijn, maar de diepere inspiratie is veeleer bij Leviathan te zoeken. In enkele post-Bijbelse joodse geschriften worden Leviathan en Behemoth – dat andere symbool voor de duivel – overigens als hoofdgerecht opgediend op het messiaanse banket dat de eindtijd inluidt.” 
 


Mattheüs citeert Jona 2, 1 over het driedaagse verblijf van de profeet in de buik van de “vis” en vergelijkt dat met het driedaagse verblijf van de Mensenzoon in “het binnenste van de aarde”.  © rr
 

In welke mate is de verwijzing naar het teken van Jona een “apocalyptische” waarschuwing aan het adres van Jeruzalem met de verwoesting van de stad in het jaar 70 door de Romeinen in het achterhoofd?

“Het teken kan zeker als een waarschuwing post factum worden gelezen. De evangelies bevatten wel meer zulke waarschuwingen. De bekendste is wellicht de profetie over de verwoesting van de tempel en de stad in Marcus 13, 14-20 die vele exegeten als een belangrijk argument zien om Marcus na de val van stad en tempel te dateren, of eventueel kort ervoor, toen die ondergang onafwendbaar was geworden. Maar er is ook een andere mogelijkheid. Het motief van een ‘omkering der waarden’, waarin Israëls vijanden het uitverkoren volk zullen verdringen, is bekend uit oudtestamentische profetieën en wordt in de evangelies als een essentieel ingrediënt beschouwd van de prediking van Johannes de Doper en van Jezus. Mattheüs 12, 38-42 gaat nog een stap verder door heidenen een actieve rol te geven in de veroordeling van het ongelovige Israël, daar vertegenwoordigd door de gesprekspartners, de farizeeën en sadduceeën.” 

“Een variante op het motief staat in een passage die als het slot van Q wordt beschouwd (Mattheüs 19, 28 en Lucas 22, 28-30), waarin Jezus zijn leerlingen de belofte doet dat zij een rol zullen spelen in de veroordeling van Israël. Het is wellicht geen toeval dat al die teksten uit Q komen. De centrale vraag is wat daarmee is beoogd. De exegeten blijven daarover onderling verdeeld. Sommigen beschouwen het als een ultieme, hoogst retorisch geformuleerde oproep waarbij kosten noch moeite worden gespaard, op het gevaar af de toehoorders helemaal te vervreemden met zulke harde taal. In die optie werkt de retoriek uiteraard alleen als beide partijen, diegene die met veroordeling dreigt en diegene die ze zal ondergaan, er ook in geloven. Anderen zien het daarentegen als het bewijs dat bepaalde kringen – Q – de missie in Israël als mislukt beschouwden en met dergelijk motief uiting geven aan hun ontgoocheling. Die tweede, meer negatieve optie is in historisch opzicht zeker niet uit te sluiten. In beide gevallen geldt wel dat de exegeten ervan overtuigd zijn dat er een oordeel zal volgen.”  III

Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​