Tertio 1107 - Maak een eind aan het eindtermendebat

De mening van vier christendemocraten onder wie Frank Judo

Maak een eind aan het eindtermendebat

Vrijheid en kwaliteit sluiten elkaar niet uit als het om onderwijs gaat. Mede daarom is de eenheidsworst die ontstaat door steeds meer gedetailleerde eindtermen in te voeren, niet wenselijk. Kwaliteitsverlies kwam er in het onderwijs trouwens niet door een gebrek aan eindtermen. Moet er vooraf aan de eindtermendiscussie niet eerst een fundamenteler debat gevoerd worden over de rol van de overheid in het onderwijs? Dat opperen alvast vier christendemocraten in deze opinie.

Zelden is er zoveel discussie over grondrechten geweest als het voorbije jaar. Een slechte zaak is dat zeker niet, want het gesprek ging echt over iets. Voor de enen diende tijdens de coronapandemie het recht op gezondheid voorrang te krijgen boven zowat elk ander recht, voor de anderen was het precies andersom en nog een derde groep bepleitte, in talloze varianten en tinten de enerzijds-anderzijds-benadering die evenredigheid centraal stelt. Op die manier werden grondrechten echt een thema van gesprek, in plaats van een dogma dat elk gesprek doet stilvallen. En zo hoort het in een democratische rechtsstaat.

Net daarom verbaast het dat de grondrechtelijke benadering zo afwezig blijft in het debat over de eindtermen in het Vlaamse onderwijs. Dat debat wordt al te gemakkelijk afgedaan als een loutere machtsstrijd tussen sterke persoonlijkheden, die wordt uitgevochten over de hoofden van de directe betrokkenen heen, of het nu leerlingen, ouders of leerkrachten zijn. Die visie is volgens ons het gevolg van een vertekend perspectief, waarbij we met onze neus te dicht op de recente gebeurtenissen staan om nog goed te zien wat er aan de hand is. Is het moment niet gekomen om wat afstand te nemen?

Strijd

Dat wil ook zeggen: de echte conflicten benoemen. Het is net iets te makkelijk om pontificaal te verklaren dat er toch geen nieuwe schoolstrijd aan de gang kan zijn. Dat is waar, en tegelijk klopt dat niet. Er is geen strijd op leven en dood aan de gang tussen het gemeenschapsonderwijs en het vrij onderwijs. Toch kan niemand ontkennen dat een van de kernvragen van de eerste en de tweede schoolstrijd opnieuw op tafel ligt, zij het onder een andere gedaante: wat mag, kan en moet de overheid doen inzake onderwijs? Die vraag is met name relevant in een land dat er vanaf het begin voor heeft gekozen terughoudend te zijn bij het regelgeven inzake onderwijs. Waar het voor bijvoorbeeld Duitsers vanzelfsprekend is dat een universiteit een overheidsinstelling is, wordt die vraag in ons land genuanceerder beantwoord.

Terughoudendheid

De overheid kan wat ons betreft wel een rol spelen in het bedienen van belangrijke “unserved audiences” en in het creëren van een gelijk speelveld. Onderwijs kan immers alleen een winstgevende bezigheid zijn als het beperkt blijft tot wie het kan betalen. Dat is niet ons maatschappijmodel, omdat het onrechtvaardig is en omdat het tot ongelooflijke verkwisting van talent leidt. Overheidsfinanciering, of preciezer financiering met belastinggeld, is dus onvermijdelijk als het over onderwijs gaat. Hoeft dat evenwel te betekenen dat de terughoudende opstelling van de overheid overboord moet worden gegooid? Wij denken van niet, omdat het de overheid niet toekomt de plaats van de ouders in te nemen bij het bepalen van wat het meest geschikte onderwijs voor hun kinderen is.


“Een belangrijk deel van het kwaliteitsverlies in het Vlaamse onderwijs is niet ontstaan bij gebrek aan eindtermen, maar met de toepassing ervan. Dat is de olifant in de kamer.”  © rr

In die zin is het kwaliteitsdebat dus een onvolledig debat. Niemand pleit voor het financieren van onvoldoende functionerende – we vermijden bewust de term “onvoldoende presterende” – scholen. Wel hebben velen, en wij met hen, het moeilijk met het gelijkstellen van een goed werkende school met het voldoen aan een afvinklijstje dat van overheidswege wordt bepaald, als een reeks Kritieke Prestatie-Indicatoren (excuseer, KPI’s of Key Performance Indicators natuurlijk) die aan een leverancier zou worden opgelegd.

Kwaliteitsverlies

En zo komen we bij de olifant in de kamer. Mogen we die even benoemen? Eindtermen zijn geen nieuwigheid in het onderwijsbeleid. Ze doken voor het eerst op in onze regelgeving in 1997. Wie het Vlaamse onderwijs dus verdenkt van kwaliteitsverlies, kan er niet omheen dat een belangrijk deel van dat verlies niet is ontstaan bij gebrek aan eindtermen, maar met de toepassing van de eindtermen. We kunnen ons dus niet van de indruk ontdoen dat de hele discussie de zoveelste herhaling is van een oud verhaal: als beleid niet werkt, durft niemand te erkennen dat er onjuiste keuzes zijn gemaakt, maar wordt gauw beweerd dat er onvoldoende van hetzelfde beleid is geweest. Politiek gezien lijkt het zelfmoord op je stappen terug te komen, dus vragen we meer van hetzelfde. Een glazen bol hebben we niet, maar iets zegt ons dat deze discussie over 10 of 15 jaar terugkomt, onder amper gewijzigde omstandigheden.

Verantwoordelijkheid

Tenzij we afstand durven te nemen van eigen zekerheden. Als we niet op zoek gaan naar beleidsmakers die op micro-, meso- of macroniveau in de fout zijn gegaan bij de toepassing van een onaantastbaar kader, maar die wel durven te kiezen voor een model dat recht doet aan onze uitgangspunten en dat niet gelooft dat vrijheid en kwaliteit elkaar uitsluiten als het om onderwijs gaat. Dat is alvast niet zo op het niveau van het hoger onderwijs, waarom zou het dan wel zo zijn op het niveau van het leerplichtonderwijs? Het is evenmin zo dat vrijheid van onderwijs per definitie tot kwaliteit leidt. Daartoe moeten alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid opnemen. En dat vereist dan weer dat ze daartoe de middelen en de informatie krijgen.

Ruimte voor verschil

Zo vinden we het belangrijk dat ouders worden geholpen en niet gestuurd bij het nemen van de belangrijkste beslissingen over de toekomst van hun kinderen. Geef ze informatie over de sterkten en de zwakten van scholen in de buurt – niet om scholen af te straffen, maar om ze toe te laten hun specificiteit te tonen. Een onderwijs dat ernaar streeft een eenheidsworst te zijn, is alleen geschikt voor een samenleving die hetzelfde model nastreeft – en dat is niet ons model en niet onze samenleving. Dat impliceert ook dat opnieuw wordt nagedacht over de regelgeving inzake inschrijvingsrecht.

Enthousiasme

Geef daarom ook meer aandacht aan de inrichtende machten. Laat schoolbesturen keuzes maken en een aanbod creëren waar ze zelf in geloven. Zorg dat hun enthousiasme aanstekelijk werkt op leerlingen en leerkrachten. In tegenstelling tot wat wel eens wordt gezegd, hebben we niet minder maar meer mesoniveau nodig. Wij geloven niet in een onderwijsmodel zonder koepels, waarbij individuele scholen tegenover een almachtig departement onderwijs komen te staan, maar wel in een vernieuwde interne dynamiek van de koepels, waarin ruimte is voor verschil. De traditie van vele religieuze congregaties in het onderwijs toont aan dat dat geen fata morgana hoeft te zijn. 

Kortom, laat ons afstand nemen, zodat we een onderscheid kunnen maken tussen hoofd- en bijzaken. Een bokswedstrijd tussen onderwijsminister Ben Weyts (N-VA) en Lieven Boeve, de topman van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, interesseert ons niet, wel waar ons onderwijs naartoe gaat. En dat is hopelijk niet de richting van steeds meer gedetailleerde eindtermen die steeds strikter gecontroleerd worden zonder aantoonbare resultaten, behalve toegenomen administratieve last voor alle betrokkenen.  III

Frank Judo is licentiaat in burgerlijk en kerkelijk recht. Publiceert geregeld over kerk-staatverhoudingen. Deze opinie schreef hij samen met Emile Desimpel, Pieter Smits en Karel van Butsel. Ze zijn allen kernleden van Stuurboord, de recent opgerichte beweging in de school van de Vlaamse christendemocratie. 

» Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)