Tertio 1111 - Oog hebben voor gezinnen in al hun diversiteit

Dossier samengestelde gezinnen

Oog hebben voor gezinnen in al hun diversiteit

Hoewel samengestelde gezinnen voor geheel eigen uitdagingen komen te staan, wijst onderzoek uit dat ze het niet per se slechter doen dan intacte kerngezinnen. Ze kunnen wel veel diversere vormen aannemen en een complex netwerk van relaties tot stand brengen. Tertio exploreert terminologie, statistische gegevens, onderzoek naar ervaringen van betrokken kinderen en ouders en polst wat het fenomeen betekent voor de pastorale praktijk. 

Frederique Vanneuville

De verklaring van de Congregatie voor de Geloofsleer dat in de katholieke kerk verbintenissen tussen partners van hetzelfde geslacht niet mogen worden gezegend, wekte alom commotie. Maar de kerkelijke leer beschouwt in veel gevallen ook een samengesteld gezin als een “ongeordende” relatievorm. Wat betekent dat in de pastorale praktijk?

“Er zijn reusachtig veel verschillen tussen samengestelde gezinnen”, reageert Annemie Dillen, hoogleraar pastoraaltheologie en empirische theologie (KU Leuven) en voorzitter van de Interdiocesane Dienst voor Gezinspastoraal (IDGP). “Hoeveel ouderfiguren zijn er, hebben beide partners eigen kinderen, zijn er gemeenschappelijke kinderen, zijn de ouders een hetero- of holebikoppel, ging er een overlijden of een echtscheiding aan vooraf, zijn de ouders gehuwd of wonen ze samen… Vanwege die grote diversiteit is de vraag naar een specifiek pastoraal beleid ten overstaan van samengestelde gezinnen relatief beperkt, wat niet betekent dat er geen pastoraal beleid moet zijn voor gezinnen in al hun diversiteit, inclusief alleenstaande ouders, met samengestelde gezinnen als één variant daarvan.” 

Aandacht voor concrete noden

“In de pastorale praktijk zou er aandacht moeten zijn voor die grote diversiteit aan gezinsvormen en niet alleen voor de traditionele huwelijksgezinnen”, stelt Dillen. “Het komt erop aan als pastoraal verantwoordelijken elke keer opnieuw oog te hebben voor de concrete noden van mensen en af te stappen van de idee dat rechtvaardigheid wil zeggen dat er voor niemand uitzonderingen mogen worden toegestaan.” Volgens Dillen hebben samengestelde gezinnen daar in de praktijk waarschijnlijk het meest onder te lijden en dan vooral de kinderen. “Veel kinderen in samengestelde gezinnen wonen op twee plekken die niet per se dicht bij elkaar liggen en krijgen bovendien te maken met verschillende normen, waarden en afspraken. Het is voor hen echt niet evident dat alles georganiseerd geraakt en soms hebben ze al ontzettend hun best gedaan om bijvoorbeeld toch de helft van de keren aanwezig te zijn voor de vormselcatechese of in een beurtrol als misdienaar. Het is wenselijk dat pastoraal verantwoordelijken daar coulant in zijn.” 

Creatief denkwerk

De hoogleraar benadrukt dat rechtvaardigheid niet hetzelfde is als rechtlijnigheid. “In de kerk bevinden we ons niet in een competitiesituatie. Bij een hardloopwedstrijd is het niet eerlijk om niet alle atleten tegelijk te laten starten, maar waarom zou een kind bijvoorbeeld geen halfuur vroeger uit de catechese mogen vertrekken als de situatie thuis niet anders toelaat?”, werpt ze op. “Je bent niet onrechtvaardig tegenover de een door een gunst toe te staan aan een ander.” Nog een typisch voorbeeld is het toekennen van zitplaatsen in een communieviering. “Wanneer er meer dan twee ouderfiguren zijn, is dat niet altijd een eenvoudige kwestie, al zeker niet in coronatijden met beperkingen op het aantal aanwezigen. Maar met wat creatief denkwerk kunnen er vaak oplossingen worden gevonden.” 

Iedereen welkom

Voor Dillen primeert een pastorale houding die iedereen welkom heet. “In onze contreien wordt er over het algemeen sterk inclusief gewerkt. Er zit wel nog wat groeimogelijkheid op het expliciet zeggen dat je welkom bent. Spreek dus niet alleen over ‘mama en papa’, want er kunnen meerdere opvoedingsfiguren zijn. De grote uitdaging bestaat erin mensen te verwelkomen, onafhankelijk van hun gezinsvorm. Het is mooi als je met het hele gezin dingen samen kan doen, maar dat lukt echt niet voor iedereen. Wanneer mensen op voorhand horen dat ze niet hoeven te voldoen aan die verwachting en merken dat ze niet als ‘afwijkend’ worden gestigmatiseerd, zullen ze zich meer aangesproken voelen. Idem voor de verscheidenheid in de betrokkenheid op geloof en kerk. Een kind kan zonder probleem met een van de grootouders naar de kerk komen wanneer de eigen ouders of plusouders zich daar niet toe geroepen voelen. De grootouders zijn trouwens een groep in de kerk die we niet mogen vergeten. Degenen die geconfronteerd worden met nieuwe gezinssituaties bij hun kinderen, worstelen daar vaak mee.”

 


“In de kerk bevinden we ons niet in een competitiesituatie”, onderstreept Annemie Dillen. “Waarom zou een kind geen halfuur vroeger uit de catechese mogen vertrekken als de situatie thuis niet anders toelaat?”  © Flickr
 

Als kerk een warme gemeenschap vormen waar mensen thuis mogen horen, dat is wat volgens Dillen in de pastorale praktijk primeert. “Dat vraagt begrip voor de complexe situatie waarin mensen zich kunnen bevinden. Erken die complexiteit en wanneer die ter sprake komt, val dan niet achterover,  zeker niet tegenover kinderen! Je kan mensen maar het gevoel geven dat ze welkom zijn door de diverse gezinsvormen niet-stigmatiserend te benoemen.” Benaderingen van de pastoraal die discriminerend werken, botsen op weerstand, weet Dillen. “We weten wel dat hertrouwde echtgescheidenen – en in mindere mate holebikoppels – het vandaag minder moeilijk hebben met de kerkelijke leer omtrent hun levensstaat dan pakweg 20 jaar geleden. Enerzijds trekken ze zich gewoon minder aan van de kerk, anderzijds ervaren ze openheid in de pastorale praktijk. Ofwel hebben ze het opgegeven hun stem te laten horen, dat is natuurlijk ook een mogelijke verklaring.” Tegelijk stelt Dillen vast dat er soms verkeerde voorstellingen leven van wat in de kerk wel of niet mag. “Mensen denken soms dat het gemeenschappelijke kind van ongehuwde ouders van een nieuw samengesteld gezin niet gedoopt kan worden, maar dat klopt niet. En er zijn ook mensen die in een eerste relatie geen kerkelijk huwelijk aangingen, maar in een tweede relatie wel voor de kerk trouwen. Je kan dus ook nieuw samengestelde gezinnen hebben met kerkelijk gehuwde ouders die geen weduwe of weduwnaar zijn.” 

Loyaliteit

Voor Dillen is het van wezenlijk belang dat de pastorale praktijk aanknopingspunten zoekt in andere menswetenschappelijke theorieën. “Van pastoraal verantwoordelijken mag je verwachten dat ze bereid zijn daarover te lezen en zich daarin te scholen. Bijvoorbeeld dankzij de contextuele therapie van Iván Böszörményi-Nagy zullen ze een beter zicht krijgen op de interne dynamieken in gezinsrelaties en begrijpen dat je als buitenstaander niet zomaar kritiek mag geven op een van de ouders. Loyaliteit is immers erg belangrijk voor het kind. Neem nu moeder- of vaderdag: geeft het kind alleen aan de biologische mama of papa een cadeautje of ook aan de plusouder? Je kan niet in de plaats van anderen beslissen wat voor hen op dat moment het beste is.”  III

Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​