Tertio 1122 - Kansarmoede vaak vernauwd tot opvoedingsprobleem

Kansarmoede vaak vernauwd tot opvoedingsprobleem

Een op de zeven Vlaamse kinderen groeit op in een kansarm gezin. Onvervulde basisbehoeften ondermijnen hun toekomstperspectief. Caritas vroeg zich af hoe gezinsondersteuning kan worden ingezet als hefboom voor armoedebestrijding. Het resultaat is Gezinvol ondersteunen, een publicatie en webinar die samen een waaier aan perspectieven bieden vanuit het werkveld. 

Kelly Keasberry

Volgens cijfers van de EU-SILC-enquête (2019) leeft een op de tien Vlamingen in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel. Bij gezinnen met kinderen is dat zelfs 13 procent. Kansarmoede drukt een negatief stempel op het toekomstperspectief van jongeren. Als aan basisbehoeften – een goed inkomen, een veilige woonomgeving en gezondheid – niet wordt voldaan, verschuift de focus naar overleving. Dan blijft er minder ruimte over om tot rust te komen, een thuis te creëren en te werken aan zelfontplooiing. “Ouders offeren zich vaak op om hun kinderen net dat beetje meer te geven, zodat ze niet anders worden bekeken of gepest. Ze zouden dat gevoel niet moeten hebben”, vindt Dorien Van Haute, adjunct-directeur van Caritas.

Positieve woorden

Dat kansarmoede wordt geproblematiseerd, is volgens de hulporganisatie terecht. De problemen die door kansarmoede ontstaan, worden evenwel vaak vernauwd tot een opvoedingsprobleem, terwijl ook ouders in armoede meestal het beste voor hun kind willen. Ze zijn alleen verwikkeld in een spiraal van gebrek en sociale uitsluiting en slagen er niet op eigen kracht in die te doorbreken. Cruciaal voor hulpverleners is daarom de vraag hoe je drempels kunt wegnemen en de brug slaat naar kwetsbare gezinnen. Ellen Thijs en Cindy Doumen van OCMW Tongeren zijn betrokken bij het project Tongerse Ondersteuning Op Maat (TOOM) dat zich richt op kinderarmoedebestrijding. “Belangrijk is om ouders op hun gemak te stellen en te zorgen dat ze zich niet veroordeeld voelen”, meent Thijs. “In ons programma spreken we nooit van problemen, maar wel van een positief aanbod om van daaruit verder te kunnen gaan.” Positief taalgebruik helpt om de regie bij de ouders te houden, wat de drempel van sociale schaamte verkleint. Ervaringsdeskundigen kunnen bovendien een brugfunctie vervullen tussen de hulpverleners en het gezin.

 


Ook ouders in armoede willen meestal het beste voor hun kind. Ze zijn alleen verwikkeld in een spiraal van gebrek en sociale uitsluiting en slagen er niet op eigen kracht in die te doorbreken.  © Pixabay

 

Een andere drempel is stigmatisering. “Aparte voorzieningen werken dat in de hand; ze leiden er soms toe dat mensen een label krijgen”, weet gezinspedagoog Michel Vandenbroeck (UGent). “Diensten voor de armen zijn bovendien vaak arme diensten, omdat zij niet het maatschappelijke draagvlak hebben van de brede samenleving. Ze kunnen daardoor ook niet de nodige middelen inzetten om kwaliteit te bieden.” Meer kansen ziet hij voor een progressief (of proportioneel) universalisme. Dat vertrekt vanuit een universele dienstverlening van basisgezondheidszorg, waarbinnen kwetsbare mensen extra diensten aangeboden krijgen. “Zo’n extra aanbod vertrekt niet vanuit een gunsten-, maar vanuit een rechtenbenadering. Het heeft ook een breder maatschappelijk en politiek draagvlak, waardoor meer middelen kunnen worden vrijgemaakt. Tijdens een bevraging over de dienstverlening van Kind en Gezin zei een moeder uit Oostende: ‘Ik ga naar het consultatiebureau omdat ik een kind heb, niet omdat ik een probleem heb’. Dat zegt iets over de sterkte van de universele dienstverlening.”

Versnipperd welzijnslandschap

Een derde drempel is de complexe structuur van het welzijnslandschap. Het TOOM-project voert met elk betrokken gezin een grondrechtenmeting uit. Daaruit blijkt dat de ouders hun situatie meestal positiever inschatten dan de hulpverleners en dat ze zich onvoldoende bewust zijn van hun grondrechten. Kind en Gezin-stafmedewerker Rudy De Cock wijt dat aan het versnipperde welzijnslandschap. Veel gezinnen zien door de bomen het bos niet meer. “Er moet één plek zijn waar mensen terechtkunnen en waar ze maar eenmaal hun verhaal hoeven te doen. Door de diensten samen te brengen die mogelijk van betekenis zijn, ontstaat er een netwerk dat hen vooruit kan helpen en dat ook partners duidelijkheid biedt over de omgang met gegevens en het organiseren van case-overleg.” Centralisering heeft ook nadelen. “We moeten vermijden dat ouders ervaren dat ze door veel ogen worden bekeken, dat hun leven bij wijze van spreken op de straatstenen ligt. Daarom moeten er duidelijke en transparante afspraken zijn, zodat een ouder ook kan zeggen: ‘Het hoeft niet meer’.” Binnen zo’n netwerk is volgens Doumen een sleutelrol weggelegd voor gezinsondersteuners. “Voor gezinnen is het belangrijk een persoon te hebben om mee op te trekken en aan wie zij kunnen aangeven wat zij nodig hebben.”

Opvoedingsparadox

Opvoedingsboeken als Van peuter tot kleuter leren ouders dat ze vooral moeten vertrouwen op zichzelf en op de eigen intuïtie. “Hoe meer advies je geeft, hoe meer je doet wat je eigenlijk niet wilt: de boodschap geven dat ouders het niet kunnen”, meent Vandenbroeck. De Cock haakt aan: “Gezinnen ondersteunen vertrekt vaak vanuit de agenda van gezinsondersteuning. Maar als je met allerlei adviezen komt, waar zit dan de ruimte voor de besognes en beslommeringen van de ouders? Het gezin moet centraal staan, niet de agenda”. Die opvoedingsparadox is volgens Vandenbroeck en De Cock te overstijgen door mensen samen te brengen en hen de kans te geven elkaar informeel te leren kennen. Dat kan in de Huizen van het Kind, maar ook aan de schoolpoort. “Zo voorkomen we dat de opvoeding nog verder individualiseert en dat alle lasten op de schouders van de ouders komen te liggen”, stelt Vandenbroeck. “De insteek is nu nog vaak dat ouders verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kind. Kunnen ze het niet aan, dan gaan we iets regelen. Nu moeten we de omslag maken naar: niemand slaagt erin kinderen alleen op te voeden. Om die rol te kunnen opnemen, moet je kunnen rekenen op structurele ondersteuning vanuit de samenleving.” “Daaraan wil ik nog het idee toevoegen van ‘goed genoeg’”, besluit De Cock. “We hoeven niet allemaal te voldoen aan die excellente norm, er mag aan ouderschap een rafelig randje zitten.”  III

www.caritasvlaanderen.be

» Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​