Tertio 1126 - Nieuwe begijnhoven zijn geen luchtkastelen

Nieuwe begijnhoven zijn geen luchtkastelen

Jezuïet en socioloog Guy Martinot is met zijn 86 jaar een bevoorrechte getuige van de aardverschuiving in de recente kerkgeschiedenis. Hij kent de cijfers goed en van naïviteit kan je hem bezwaarlijk verdenken. Toch gelooft hij niet dat de secularisatie het laatste woord heeft. “De oplossing zit niet in massamaatregelen, wel in kleinschalige initiatieven.” Het begijnhofmodel dat hij nieuw leven inblaast, wekt brede belangstelling.

Sylvie Walraevens

Guy Martinot schetst geen vrolijkmakend beeld. De situatie is bijzonder ernstig, zowel maatschappelijk als kerkelijk, erkent hij. “De klimaatcrisis, de vluchtelingennood en nu ook nog Covid: ze zijn drie kanten van de algemene retour en arrière waarin de mensheid gevangen zit. De pandemie is een uitzonderlijke crisis. De meest zichtbare aspecten – de lockdown, de maskers, de reisbeperkingen – waren een tijd geleden ondenkbaar. Maar wat volstrekt nieuw is, is de universele reikwijdte: zowel rijke als arme beschavingen worden getroffen. In onze westerse wereld met een omgekeerde leeftijdspiramide komt de dood plots heel dichtbij en ze handelt willekeurig. Ziekte was lang een individueel leed, nu is ze collectief.”

Kerkelijke teloorgang

Alsof de maatschappij in crisis nog niet genoeg kopzorgen meebrengt, heeft zich daarop ook een nijpende kerkelijke noodsituatie geënt. Martinot maakt het heel concreet: “In België zijn nog 2.196 priesters actief, waarvan de helft ouder is dan 75. Van die laatste groep blijft binnen 5 jaar de helft over. Het netwerk van parochies zal teloorgaan, waarmee de kerk haar fijnmazige aanwezigheid verliest. Ook het priesterschap kent een diepe crisis. Er zal altijd een behoefte aan priesters blijven, maar het ambt, het sociale statuut zal verdwijnen. Het gevolg is dat sommige priesters vandaag ‘klerikalen’ worden, vanuit een reflex tot zelfbescherming. Vervolgens is er het kerkpatrimonium, waar immobiliënprofessionals met veel appetijt naar lonken. Laten we ons geen illusie maken, 60 procent zal worden verkocht aan winkels, restaurants of nachtclubs. Dat is een trieste evolutie, want een landschap met kerk en klokketoren geeft zin aan een samenleving. Tot slot is er het financiële en seksuele misbruik. In de multiculturele samenleving zijn zij de doodsteek voor het morele krediet van de kerk. Zijn we op weg naar een geestelijk braakland of zelfs naar regelrechte woestijnvorming? We moeten ons erop voorbereiden dat heel wat structuren zullen verdwijnen”.

 


Het Béguinage du Viaduc herbergt drie vluchtelingenfamilies. Er zijn vijfentwintig kinderen op de site maar evengoed ouderen. Er is geen verschil tussen de woningen van armen en rijken.  © rr

 

Wonen rond een kerk

De somberheid van Martinots analyse staat in fel contrast met zijn voluntarisme en zijn onophoudelijke zoeken naar nieuwe sporen. “De diepste kern van al die crisissen ligt in het verbreken van de samenhorigheid. In steden worden mensen soms 6 weken na hun overlijden ontdekt! Die teloorgang van menselijke relaties maakt een samenleving ontzettend fragiel. Mijn antwoord op de maatschappelijke en de kerkelijke crisis is een model van christelijke wooncollectiviteit rond een bedreigde kerk of kapel. Geef mensen een gemeenschappelijk ‘bouwproject’ om weer samenhang te vinden. Dat doet wonderen, heb ik ervaren. En je redt er een kerk mee.” 

Hoop en gratuïteit

De mosterd voor zijn model van christelijke wooncollectiviteiten haalt Martinot bij de middeleeuwse begijnhoven. Daarmee onderscheidt het zich van de talrijke cohousingprojecten die aan een gestage opmars bezig zijn. “De meeste collectieve woonprojecten worden opgezet door dynamische mensen die willen samenwonen omdat de bouwgronden te duur zijn, omdat ze hun kinderen gezamenlijk willen opvoeden, omdat ze niet geïsoleerd willen wonen, omwille van de veiligheid en de vrijheid voor hun kinderen. Allemaal goede redenen, maar ze zijn volgens mij onvoldoende. Ik kan mij niet van de vrees ontdoen dat zo’n project tot georganiseerd egoïsme kan leiden. In het begijnhofmodel of de christelijke woongemeenschap zijn daarom twee kenmerken essentieel: de erkenning van een ‘elders’ dat aanwezig wordt gebracht in het kerkgebouw, het woord en de rituelen. Daar herneemt het leven zijn zin. En minstens even belangrijk: het delen en de dienstverlening. Ik denk aan palliatieve zorg, een voedselbank, vluchtelingenopvang enzovoort. Die dienstverlening is een manifestatie van hoop en van gratuïteit.”

Geen eigenaars

Maar getuigt zo’n model voor de redding van kerken niet van naïviteit of zelfs irrationaliteit in een snel seculariserende samenleving? “Absoluut niet”, countert Martinot. “Een grote fout in de sociologie is de generalisering. Ja de secularisatie is onmiskenbaar, maar niet iedereen is geseculariseerd. De gensters zijn even belangrijk als het vuur. Om de kerkelijke neergang te stuiten, geloof ik niet in massamaatregelen, wel in talrijke kleinschalige initiatieven. Voor een christelijk wooncollectief heb je geen toestemming van de bisschop nodig, wel enkele gepassioneerde families.”

 


Guy Martinot: “Niet iedereen is geseculariseerd. De gensters zijn even belangrijk als het vuur.”  © Cedric Holeman

 

Dat Martinots begijnhofmodel geen luchtkasteel is, toont de Béguinage du Viaduc in de Brusselse gemeente Elsene, die hij enkele jaren geleden opende na jaren van gebed, ervaring van voorzienigheid en werfopvolging. Vandaag inspireert het pioniersproject talrijke groepen die her en der in het land nieuwe begijnhoven starten. “Le Viaduc is een katalysator. Elke week ontmoet ik initiatiefnemers van nieuwe christelijke woonprojecten. De sterkte van die plek ligt in de sociale en demografische mix. Wij herbergen drie vluchtelingenfamilies. Er zijn vijfentwintig kinderen op de site, maar evengoed ouderen. Ook arme families zijn welkom. Er is geen verschil tussen de woningen van behoeftigen en rijken. Daarin onderscheiden we ons van homogene woongroepen, die sneller geneigd zijn ‘families zonder problemen’ op te nemen. Wij hebben ervaren dat armen vaak goede oplossingen aandragen. Hun beschikbaarheid, ervaring, geloof en menselijke cultuur zijn al herhaaldelijk van pas gekomen. Ook belangrijk is dat de bewoners geen eigenaars van hun woning zijn. Wie eigenaar is, lijnt af: ‘tot daar is het van mij’. En tot slot zijn er tijden en een plek voor gebed, vergadering en samenwerken. We stellen een vademecum op om onze gelukkige ervaring te delen en nieuwe, krachtige initiatieven in gang te steken.”

Kunstheup

Ook Joren Vermeersch (N-VA) brak een tijd geleden in De Standaard een lans voor het behoud van kerken voor de lokale gemeenschappen als collectieve plaatsen van vrede, reflectie en cultus. Maar hij zag die invulling niet als exclusief christelijk. Cultuur, lezingen en vieringen van diverse strekkingen zouden er onderdak kunnen vinden. Martinot aarzelt bij dat voorstel, al wil hij wel enige openheid tonen. “Zo’n collectief bouw- en woonproject rond een kerk moet je in de eerste plaats opzetten met groepen die de liefde collectief vormgeven. Dat is niet het exclusief van de christenen, alleen... er zijn niet zo veel godsdiensten waarin God expliciet Liefde wordt genoemd. Dus ja, een begijnhofproject kan met andere overtuigingen, maar ik zie het toch een beetje als een kunstheup: ’t is niet hetzelfde als de echte maar je kan je ermee behelpen.”  III

» Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)