Tertio 476 - ‘Kerk hinkt achterop in beeldcultuur’

Leven Maurice Buyens staat in dienst van doven

‘Kerk hinkt achterop in beeldcultuur’

Tussen de wereld van doven en horenden gaapt nog al te vaak een kloof, ook in de kerk. De internationale katholieke vereniging voor dovenzorg houdt daarom vrijdag aan de K.U.Leuven een symposium over dovenpastoraat. Een van de sprekers is Maurice Buyens. Die broeder van Liefde zet zich al zijn hele leven lang onverdroten in voor doven.

Emmanuel Van Lierde | Als zoon van dove ouders groeide Maurice Buyens (1940) op in de dovenwereld. “Al is 95 procent van de kinderen van doven niet doof, mijn moedertaal was gebarentaal”, zegt Buyens. Zijn moeders broer was een broeder van Liefde en ook hij trad in bij die congregatie. Meteen werd hij tewerkgesteld bij de doven in het Sint-Gregoriusinstituut van Gentbrugge – waarvan hij later directeur werd – en al kort daarop, in 1968, vergezelde hij de oudere broeder Swithinus Roossen naar de samenkomsten van de Oost-Vlaamse dovenverenigingen. Na zijn overlijden volgde Buyens Roossen op als begeleider van de dovenclubs en in het Nationaal Verbond van Katholieke Doven. Door de federalisering splitste dat verbond in 1977 en werd Buyens de algemene secretaris van de Federatie van Vlaamse Dovenverenigingen.

Buyens ijverde niet alleen voor de maatschappelijke emancipatie van doven. Ook het dovenpastoraat is en blijft zijn grote zorg. In het spoor van Paulus dachten velen dat het geloof “uit het horen” komt (Romeinen 10,17). “Omdat doven niet horen, zouden ze niet kunnen geloven. Wat een misvatting. Verkondiging gebeurt evengoed met teksten, symbolen en gebaren”, merkt Buyens op. “Na het Tweede Vaticaans Concilie verdwenen de symbolen uit de kerk en kwam het gesproken woord centraal te staan. Net op het moment dat de samenleving evolueerde naar een beeldcultuur, stelde de kerk het woord in de plaats van het beeld. Dat de kerk achterop hinkt in de beeldcultuur is voor doven een grote belemmering.”

Augustinus schreef al over een dove die zich met gebaren verstaanbaar maakte. De kerkvader geloofde dat ook bovennatuurlijke begrippen in gebaren weer te geven waren. Maar bestaat er een religieuze gebarentaal? De godsdienstleerkracht en nu directeur van het Sint-Gregoriusinstituut, Geert Van De Vijver, ontwierp voor zijn eindwerk in de tolkenschool zo’n religieuze gebarentaal. “Verstaan doven gebaren voor genade, verlossing en verrijzenis? Een horende verstaat die termen ook niet zonder uitleg. Daarvoor dient de verkondiging. In het katholiek dovenonderwijs moeten die gebaren worden aangeleerd”, stelt Buyens.

Het dovenpastoraat dat steunt op gebarentaal staat nog in zijn kinderschoenen, maar een nieuwe evangelisatie onder de doven is volop aan de gang. “In 1997 begonnen we met de bezinningsgroep ‘Emmaüs. Kom en zie’. Per jaar houden we vier bezinningsdagen, vaak aan de hand van iconen, en een abdijweekend, al vraagt het veel voorbereiding om het getijdengebed te tolken. Nu plannen we twee reizen naar Medjugorje waarbij horenden en doven samen op bedevaart gaan. Om geen twee gescheiden groepen te hebben, leren de horenden gebarentaal en sluiten de doven aan bij gebedsgroepen”, vertelt Buyens enthousiast.

“Doven zitten al te vaak apart in de kerk naar hun tolk te kijken, waardoor ze het gebeuren aan het altaar niet echt beleven. Daarom tolkt een priester minstens bij de consecratie beter zelf zodat doven naar hem kijken. In de priesteropleiding kunnen ze dat aanleren, net als een minimum aan religieuze gebarentaal. Ik streef ernaar dat doven en horenden samen zouden bidden zodat ze één gemeenschap vormen. Horenden kunnen het Onzevader in gebarentaal leren, doven kunnen leren zingen. In elk bisdom zou een parochie moeten zijn waar doven terechtkunnen. Je mag hen niet apart zetten, want dan integreren ze niet.”

Pioniers in dovenzorg

De Gentse kanunnik Petrus Jozef Triest (1760-1836) was in Vlaanderen niet alleen de pionier in de zorg voor geesteszieken, hij lag ook aan de basis van de dovenzorg. In Parijs bezocht hij in 1816 het beroemde Institut National pour Sourds-Muets van Charles Michel de L’Epée. Getroffen door het werk van die priester gaf Triest in 1820 de aanzet voor een school voor dove meisjes in Gent. In 1825 volgde een instituut voor dove jongens. Het Brusselse stadsbestuur vroeg Triest ook bij hen scholen voor doven en blinden uit de grond te stampen, wat hij in 1834 en ’35 deed. Van bij de aanvang was het de broeders en zusters van Liefde niet alleen te doen om de opvoeding en het onderwijs, ze stonden ook in voor nazorg en sociale dienstverlening. Wat begon met retraites voor oud-leerlingen, mondde al snel uit in dovenclubs. Dat verenigingsleven bevordert hun integratie.

Om de geschiedenis van de kerkelijke initiatieven voor doven niet te laten verloren gaan, begon Maurice Buyens aan een trilogie over de Geschiedenis van de Vlaams-Belgische Dovengemeenschap. De broeder van Liefde baseerde zich op de ervaringen van doven, op de verslagen van hun verenigingen en hun tijdschriften. Ook het archiefmateriaal van de dovenclubs wist hij te verzamelen in het door hem opgerichte Dovenmuseum Broeder Leothard, verbonden aan het Dovencentrum Emmaüs in Ledeberg. Het ontsluiten en bewaren van het erfgoed van de dovenzorg is met die boeken en het museum gegarandeerd. (EVL)

Op 27 maart vindt het internationaal symposium Gemeenschap en waardigheid. Dovenpastoraat in de wereld van vandaagwww.theopraxis.eu of tel.: 016/32.94.09.

Bij uitgeverij Garant verschenen onder redactie van Maurice Buyens:
Gebarenwoordenboek, 1008 blz., € 48,30.
Gebarentaaltolken: een brug tussen doven en horenden. 20 jaar Tolkenschool in Gent, 168 blz., € 18,90.
Geschiedenis van de Vlaams-Belgische Dovengemeenschap… tot de jaren 1980:
Deel 1: De dove persoon, zijn gebarentaal en het dovenonderwijs, 328 blz., € 41,90.
Deel 2: De dove persoon, zijn federatie en belangenverdediging, 508 blz., € 49,80.
Deel 3 over de dovenverenigingen verschijnt in het najaar.
Bestellen kan via www.tertio.be.

Van oraal naar visueel

Meer dan honderd jaar woedde een methodestrijd in het dovenonderwijs. Vooral vanuit Duitsland promootte de orale methode het liplezen en het stimuleren van de gehoorresten, terwijl het gebaren verbood omdat dit de handicap zichtbaar maakte. “Dat leidde tot een negatief zelfbeeld bij doven. Ze werden beschouwd als tweederangsburgers die geen eigen taal hebben om zich uit te drukken. Het positief doofbewust maken van doven was meer dan nodig”, zegt Maurice Buyens. De Franse school van Abbé de L’Epée verkoos daarom de gebarenmethode, maar tijdens een internationaal congres in Milaan in 1880 won de orale methode het pleit. Vanaf dan gebruikten scholen alleen die methode, al hanteerden de broeders van Liefde ook gebaren.

“Waar twee doven samen zijn, gebruiken ze spontaan gebaren. Omdat die niet officieel vastlagen, zag je van streek tot streek andere gebaren, dialecten als het ware”, legt Buyens uit. “Amerika erkende in de jaren 1970 gebarentaal als officiële taal en het tij keerde ook bij ons langzaam. De cultuur evolueerde door tv’s en pc’s zelf van het orale naar het visuele. Een gebarentaalcommissie werkte vanaf 1980 aan het Gebarenwoordenboek en al in oktober 1981 kon ik de Leergang Tolk voor Doven oprichten. Omdat de orale methode nog altijd primeerde, ontplofte met die tolkenschool een bom in het dovenonderwijs. De gebarentaal vond steeds meer ingang en werd in 2006 door de Vlaamse regering officieel erkend. Nu hebben doven recht op tolken in het onderwijs, in hun privéleven, op hun werk en bij het verdedigen van hun belangen. Maar er zijn te weinig tolken.” (EVL)

 

» Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​