Tertio 526 - Sorrycultuur bagatelliseert het kwaad

Vizier:

Sorrycultuur bagatelliseert het kwaad

Je voor je wandaden verontschuldigen bij de slachtoffers is tegenwoordig in, merkt Miel Swillens op. Maar “met waarachtige christelijke inkeer heeft die sorrycultuur niets te maken”, stelt hij vast.

Miel Swillens | Het stond in de krant. Vier drugsverslaafden die een mentaal gehandicapte man terroriseerden en folterden, bieden hun excuses aan. Moet je om dit bericht nu lachen of huilen? Tegenwoordig worden misdadigers, moordenaars en verkrachters aangepord zich te verontschuldigen bij hun slachtoffers of de nabestaanden. Dat modeverschijnsel neemt almaar toe. Vooral de media krijgen er niet genoeg van. Telkens opnieuw wordt erop gewezen dat die of die (nog) geen excuses heeft aangeboden. Het succes van dat holle gebaar zegt veel over de ondraaglijke lichtheid van de tijd waarin we leven. Je zegt ‘sorry’ bij moord of verkrachting, net zoals wanneer je per ongeluk tegen iemand aanloopt.

Die sorrycultuur is een symptoom van een dieperliggende kwaal. Onze tijd weet niet om te gaan met het kwaad. Het oude discours over schuld en boete, misdaad en straf klinkt te hard. Excuses worden als een zachtere, alternatieve benadering gezien. De gruweldaden worden daarbij weggemoffeld achter een therapeutisch rookgordijn. In feite bagatelliseert de sorrycultuur het kwaad.

In Too many apologies, een column in The Jewish World Review, wijst de Amerikaanse hoogleraar economie en publicist Thomas Sowell nog op een ander element. Sowell heeft het over excuses aanbieden voor de slavernij. Die vaak gehoorde eis wordt doorgaans gekoppeld aan financiële compensaties voor de zwarte Amerikanen of voor de Afrikaanse landen waar hun voorouders vandaan kwamen.

“Slavernij”, zo betoogt Sowell, “is een veel te ernstige zaak voor excuses en wie geen slavenhouder is, hoeft zich niet te excuseren voor wie dat wel was.” Sowell is zelf Afro-Amerikaan  en groeide op in Harlem, het zwarte getto van New York. Hij wijst erop hoe in onze tijd het uithollen van de persoonlijke verantwoordelijkheid gepaard gaat met een culpabilisering van de maatschappij. Een onbestemd ‘wij’ neemt de schuld over van het ‘ik’. Wij zijn allemaal schuldig. Zelfs met terugwerkende kracht. Daarom moeten wij collectief onze verontschuldigingen aanbieden voor de slavernij, ook al heeft niemand van ons ooit een slaaf bezeten.

Dat wollige denken, dat vooral de intelligentsia promoot, gaat door voor een diep inzicht. In werkelijkheid, zo stelt Sowell, ondermijnt dat het individuele verantwoordelijkheidsbesef, waardoor onze maatschappij op termijn onbestuurbaar wordt. Bovendien wordt dat denken alleen toegepast op de westerse wereld. Niemand eist excuses of compensaties van de Arabische landen of de moslims. De rol die zij speelden als slavenhouders en slavenhandelaars begon nochtans lang voor die van de Europeanen en was in omvang en wreedheid vergelijkbaar. Ter illustratie: in 1865 – toen na vier jaar bloedige burgeroorlog de slavernij in de Verenigde Staten tot het verleden behoorde – was de protestantse zendeling David Livingstone er op Zanzibar getuige van hoe Arabische slavendrijvers tienduizenden geketende slaven aanvoerden uit het Afrikaanse binnenland en verscheepten naar de landen rond de Perzische Golf.

Slavenhandel en slavernij waren een wereldwijd fenomeen. Maar de morele verontwaardiging die leidde tot de afschaffing ervan was typisch westers en christelijk. Daar mogen we terecht trots op zijn. De sorrycultuur daarentegen is een zwaktebod, dat handig inspeelt op onze (post)christelijke gevoeligheid voor schuldbelijdenis. Maar die gevoeligheid wordt misbruikt en politiek geïnstrumentaliseerd door allerlei nieuwlichters met een eigen agenda. Met waarachtige christelijke inkeer heeft die sorrycultuur niets te maken.

Uw reacties zijn welkom op redactie@tertio.be.

Berichten

EEN VERHAAL VAN TWEE RELIGIES
Guido Dierickx | IJshockey is de nationale sport van Canada. Meer dan dat: het is zowaar een nationale religie. Jarenlang was het Canadese team de onbetwiste grootmacht in deze sport. Het waren dan ook donkere, pijnlijke jaren wanneer in een recenter verleden de Canadese ploeg keer op keer, op de wereldkampioenschappen en op de Olympische Spelen, moest onderdoen voor de Sovjet-Unie en soms zelfs, o schande, voor de USA, die zo luidruchtige en zelfvoldane zuiderburen. Maar nu, op eigen bodem, in Vancouver 2010, was het ogenblik aangebroken om de gevallen nationale vlag weer op te rapen.

Heel zegezeker waren ze nochtans niet, die Canadese fans, want de tegenstander in de finale was de ploeg van de USA. En die had de Canadezen in de poulewedstrijd nogal smadelijk verslagen. Nooit hebben zo veel Canadezen met zo veel spanning voor hun tv gezeten. Nooit waren er zo veel outfits met de nationale kleuren gekocht. De straten in Vancouver kleurden er rood en wit van. Dat was, volgens de verslaggever van de New York Times, ook het geval in de katholieke Holy Rosary Cathedral, op enkele honderden meter van het stadion waar de finale zou beginnen om 12.15 uur. Daar stond de pastoor voor een hartverscheurende keuze. Zou hij de misviering van 12.30 uur schrappen? Geen sprake van. Wel zou hij aan de fans, die in zijn kerk alvast uitgedost waren in hun rood-witte plunje, een kleine toegeving doen. De viering van 11 uur zou wat korter zijn dan gewoonlijk om de fans – zowat al zijn gelovigen – toe te laten daarna hun patriottische religie te belijden, binnen en buiten het stadion. Een mooi voorbeeld van interreligieuze verstandhouding, zo zou je dit kunnen noemen. Bovendien voegde hij een voorbede toe aan de reeks die vastgelegd was. Hij nodigde zijn gelovigen om mee te bidden: “To be humble when and if they win. And to be gracious if they don’t.” Dat hoeft geen vertaling. Het is de taal van de caritas in woorden die ook opgewonden supporters moeten kunnen verstaan. 

DONORSCHAP TER DISCUSSIE
In Nederland is ophef ontstaan over de idee om organen voor donatie weg te nemen bij stervenden nog voor de dood is ingetreden. Klinisch ethicus Erwin Kompanje en onderzoeker Yorick de Groot hadden die mogelijkheid geopperd in het vaktijdschrift Medisch Contact. Hun uitgangspunt is het tekort aan orgaandonoren, onder meer door het afnemende aantal verkeersongevallen, en de wetenschap dat de kwaliteit van organen snel afneemt na de dood. Daarom vragen zij zich af of het niet zinvol zou zijn om één nier weg te nemen ter donatie bij zieken die toch al zijn opgegeven.

De idee zorgde voor een golf van ongerustheid over het “strippen van lichamen van stervenden”. Naar verluidt trokken nogal wat kandidaat-donoren hun toestemming in. De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en de Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV) reageerden zeer negatief. “Als je de mens vanuit een evolutionistisch wereldbeeld bekijkt, zijn wij vooral een object. Benader je een patiënt zo, dan kom je al snel uit bij het materialisme, het hedonisme en het bruikbare van de mens. Wij geloven echter dat de mens ook een subject is, iemand die je waardig moet behandelen”, stelde Ruth Seldenrijk namens de NPV. Volgens haar is het een veel beter idee om “de vrijwillige donaties van levenden te steunen”. Komanje en de Groot hadden zelf als tegenargument aangestipt dat “orgaanuitname voorafgaande aan de dood het wantrouwen van de samenleving tegenover orgaandonatie kan vergroten”. Dat is exact wat er lijkt te zijn gebeurd. (JDV)
 

» Meer lezen (pdf, enkel voor abonnees)

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​