Tertio 540 - Toespraak Benoît Standaert Boekvoorstelling

Toespraak Benoît Standaert Boekvoorstelling

Marcus
8 juni 2010 

[Laat ik beginnen met een gul dankwoord, eerst en vooral voor wie het initiatief nam voor deze avond, dhr Jean Bastiaens, namens het Bijbelhuis zelf. Ik was blij verrast toen hij er mij voor het eerst over sprak.  En uw zeer talrijke aanwezigheid is het bewijs dat het een goed idee was, en meteen dank ik al wie bij de voorbereiding en de afwerking van deze avond onmiddellijk bereid gevonden werden om mee te doen, vader abt en de medebroeders, P. Leon, P. Aad, de artiesten Zr Godelyph en Hilde Laureys, het hele team van het Bijbelhuis, en achter de schermen nog meer vrienden. Ook een heel bijzondere dank aan prof. en vriend Geert Van Oyen die tussen twee reizen in even inspringt om hier toch aanwezig te zijn en in te gaan op onze vraag. Tijdens de voorstelling ziet u beelden die Alister, een leerkracht van de abdijschool, voor mij zorgvuldig en geduldig scande: het hele boek volgens de uitgevers verdroeg geen enkel beeld! Ja, dankbaarheid is begin en einde van deze avond.]

Toen ik zondag laatst het eerste exemplaar van het boek aan mijn demente moeder overhandigde, wist ze niet goed wat ermee gedaan of erover te denken, tot ze plots die kortste zin liet vallen: ‘Alles is goed’. Laten we onder dat woord staan, in alle voorlopigheid.    

Ja, onder welk woord willen we staan bij zo’n boekpresentatie? Die vraag stelde ik me onmiddellijk, na het voorstel van Jean Bastiaens om op 8 juni hier het boek te presenteren.

‘IJdelheid der ijdelheden. Alles is ijdel, zegt Prediker’. Deze dagen overweeg ik, in het verlengde van Pinksteren, dit boekje, dat van alle boeken uit de Bijbel proportioneel  het vaakst over de ‘geest’ (de ruah) spreekt. Prediker zegt ondermeer ook dit: ‘Veel boeken schrijven is een werk zonder eind en veel studeren is afmattend voor het lijf’.

Prediker had genoeg aan 12 hoofdstukjes en nog lezen en herlezen we hem, en leren we niet echt wat hij ons voorhoudt: dat namelijk veel boeken schrijven afmattend is…

Marcus had genoeg aan 16 hoofdstukken, 660 verzen bij elkaar. En nog lezen en herlezen we hem. We schrijven zelfs boek op boek over hem. Dit is wel de zevende of achtste keer dat ik hem integraal bespreek, en nu werd het zelfs een drieling! Mijn excuses, én voor de veelheid én voor de prijs die eraan hangt! Ik had gehoopt alles in één volume gedrukt te krijgen maar dat bleek niet te kunnen, en ik ben slechts ten dele verantwoordelijk voor die gevolgen…

Ja, hoe kwam het tot zo’n boek, en waarom Marcus? Laat ik een antwoord proberen, al weet ik tot op heden de uiteindelijke reden niet.

Elk boek heeft z’n verhaal. Ook deze studie heeft een geschiedenis en een voorgeschiedenis. Alles begon in Rome, zo’n veertig jaar geleden. Een docent, P. Pio Merendino, zei terloops in de cursus over de synoptische evangelies: ‘Marcus is in twee delen verdeeld, en de scheidingslijn loopt tussen hoofdstuk 7 en 8’. Ik ging kijken en vond niets dat daarop wees… en vroeg hem na de les: ‘Hoezo?’ En hij zei: ‘Ja, zo stelt men het doorgaans voor’. Ja, als ‘men’ zo dacht, dan was dat toch behoorlijk onvoldoende om mij te overtuigen. Ik pluisde verder en koos enkele maanden later Mc 8, 14-21 (de conclusie van het verhaal van de twee broodvermenigvuldigingen) als onderwerp voor mijn tesina. Ook daar botste ik op een vreemde bewering met betrekking tot het vers 15. Daar zegt Jezus tot de leerlingen in de boot met hem: ‘Kijk uit, hoed u voor het zuurdeeg van de Farizeeën en het zuurdeeg van Herodes’. Sommige exegeten zeiden: ‘Dat vers heeft geen belang. Het stoort binnen de context, je kan het zelfs overslaan, en alles krijgt nog meer zin. Het werd zeer vermoedelijk ingelast als een losstaand vers’. Dit bevreemdende vers werd in feite een ware sleutel. Het maakte me duidelijk dat Marcus terug verwees naar de opening in 6, 14-16. Daar spreekt hij, de verteller, over wat men zo allemaal over Jezus vertelt en wie hij zou zijn. Drie opinies, allemaal verkeerd, en de ergste, meest schromelijke vergissing is die van Herodes. Deze vereenzelvigt namelijk De Doper met Jezus en maakt van Jezus een verrezen Johannes… Het zuurdeeg heeft met verkeerde, misleidende kennis te maken. De broodsectie vormt een eenheid met als leidraad : de kennis van wie Jezus ten diepste is, voor Joden èn voor heidenen. De leerlingen en de lezers moeten tot inzicht komen. Onmiddellijk daarop namelijk, nadat we opnieuw dezelfde drie opinies horen, zal Petrus plechtig belijden: ‘U bent de Christus!’ (8, 27-29).

Om kort te zijn, in dat eerste onderzoek kwam ik erachter: 1. dat men Marcus door moest lezen van 6, 14 tot 8, 29 (de belijdenis van Petrus); 2. Dat het vervolg even sterk vereend was, in een nieuwe sectie: de sectie van de weg, de navolging, de gevolgtrekking (van 9, 30 tot 10, 45).  Van het juiste inzicht stapte men over naar het juiste handelen, in navolging van Jezus. En dus dat Marcus 6, 14 het begin was van een enorme boog die doorliep tot het einde van hoofdstuk 10. In het centrum, binnen de 25 verzen van 8, 27 tot 9, 13, werden de beide perspectieven, de inzichtelijke en de praktische, kundig op elkaar betrokken, terwijl helemaal in het midden de zes geladen zinnen vielen die de kern van het evangelie vormden: ‘Indien iemand mij wil volgen…’ wat moet hij dan doen en wat staat hem te wachten? (8, 34 tot 9, 1). In die zin ben ik wel blij dat dit centrale deel van Marcus nu in één boekdeel aan de lezer wordt voorgesteld, terwijl men doorgaans Marcus in tweeën blijft splijten, net voor of na de belijdenis van Petrus (8, 29).

Na Rome kwam ik in Jeruzalem terecht, op de bijbelschool van de Dominicanen (EBAF). Ik wou dat onderzoek verder zetten en nu de eerste zes en de laatste zes hoofdstukken bestuderen. Dit werd mij vlug afgeraden. Dat is veel te groots, een heel evangelie, wie doet nu zo iets? Wat men vraagt om het diploma van de École te halen is een artikel voor een wetenschappelijk tijdschrift (hooguit 30 blz.), dat is alles. Ironie: ik legde me toe op het Evangelie der Waarheid, een gnostische tekst van de Valentijnse school, uit het begin van de tweede eeuw. En wat deed ik? Een integrale studie van dat gehele Evangelie der Waarheid (en het werden twee artikels, verschenen in twee wetenschappelijke tijdschriften). Blijkbaar kan ik het niet laten dingen in hun geheel te willen beschouwen.

Zo verliet ik Jeruzalem (midden de Kippour oorlog, in 1973) en ging het jaar daarop naar Nijmegen. Daar hernam ik de kwestie van Marcus, en zag hoe ook de hoofdstukken 1 tot 6, 13 keurig in elkaar pasten, en hoe eveneens Marcus van 11 tot 16 organisch goed samengesteld was, volgens analoge knepen als in de eerste 10 hoofdstukken. Toen vroeg ik me af: hoe componeerden de mensen ten tijde van Marcus? Het werd een boeiend onderzoek naar de theorie en de praktijk van het componeren in de oudheid, bij Grieken en Romeinen. Dramatische en retorische composities kwamen erbij te pas, en zelfs de verhalende literatuur was in de ban van retoriek en dramatiek. Toen heb ik veel geleerd in weinige maanden.

De conclusies waren voor mij evident: Marcus is als een drama samengesteld, en Marcus heeft ook een duidelijk retorische lay out. Daaruit volgde dat je Marcus in één ruk moest voordragen en niet bij stukjes en beetjes. In zijn geheel vroeg dit amper twee uur.

Uit die conclusie kwamen natuurlijk nieuwe vragen opdagen. Wanneer deed men zo iets en met welke bedoelingen? Hier werkte ik een dubbele hypothese uit:

  1. ik stelde voor Marcus te zien als een vroegchristelijke paashaggadah, een verhaal om voorgelezen te worden tijdens de paasnacht;
  2. die tekst had een initiatorische functie: de nieuwelingen werden immers tijdens die nacht, na de voorlezing, gedoopt en mochten dan deelnemen aan de eucharistische maaltijd.

In de tekst vond ik vele aanzetten voor de dubbele hypothese. En in de liturgische praktijken van de eerste twee eeuwen zocht ik bevestigingen. Ook dat was een pittig en leerrijk onderzoek waaraan in de besprekingen van mijn thesis weinig of geen aandacht werd besteed en die men – zoals een Frans Neirynck mij ooit bekende – niet eens las. Ze hebben inderdaad behoorlijk veel te lezen, beroepshalve, en dat lag, vonden ze, buiten hun veld. Tot zover Nijmegen, eind juni 1978. ‘Veel boeken schrijven is afmattend voor het vlees’… ook voor het vlees van de anderen, die dit moeten lezen… Wel was er één jongere exegeet die het dossier aanvulde. Christian Grappe uit Straatsburg vond zelfs een paar joodse studies (o.m. van David Flusser) die erop wezen dat het samengaan van doopsel en paasnacht geen christelijke vondst was maar reeds eerder in Jeruzalem bij het paasfeest werd beoefend. De niet-joden, vreemdelingen of proselieten, mochten deelnemen aan de paasmaaltijd op voorwaarde dat ze zich lieten dopen, althans volgens sommige rabbijnen. Interessante verrijking en zijdelingse bevestiging van mijn werkhypothese.

Meerdere boekjes over Marcus kwamen daarna tot stand in verschillende talen, en Marcus geweld en genade, door Lannoo uitgegeven, kreeg zelfs een prijs (tweejaarlijkse prijs van het religieuze boek) maar kwam niet zo heel veel later bij de Slegte terecht… IJdelheid der ijdelheden, en alles is ijdel, zegt Prediker!

In die periode, begin de jaren ’80, had ik een gesprek met P. Pierre Benoit, dominicaan van de Bijbelschool in Jeruzalem. Hij stelde me voor om nu een commentaar te schrijven in de vermaarde reeks Études bibliques. Het was zijn bedoeling de serie van commentaren door P. Lagrange geschreven, te vernieuwen. ‘Waarom zou je niet de nieuwe Lagrange schrijven over Marcus?’ Dat was de uitdaging. IJdelheidje onder alle ijdelheden? Ik begon eraan. Begin de jaren ’80 dus. Iedere dag een beetje, met onderbrekingen voor andere publicaties allerhande en lesopdrachten… ook Heiliging die veel kansen bood maar ook tijd en energie opslokte. Iets meer dan tien jaar later, precies op 19 september 1994, kwam ik aan een eerste eindredactie, tot en met Marcus 16, 8! Met een paar goede commentaren bij de hand (Lagrange, Swete, Taylor, Gnilka, Pesch, enz.) doorworstelde ik elk vers, ieder woord. In één vers kunnen er twee of drie problemen voorkomen. Bij elk probleem zijn er vaak twee, drie of meerdere meningen, en soms blijft alles onopgelost! Het is de kunst om niet te verzanden in de problemen en soms om nieuwe oplossingen aan te kaarten… Bondig en raak, liefst. Soms vraagt een voetnoot van drie regels anderhalve dag opzoekingen… (zo de mogelijke band tussen de zwijnen uit Marcus 5 en het legioen van de Romeinen, in Caesarea gevestigd, met als teken het everzwijn).

Jarenlang bleven die 1500 blz. ongeroerd. Nu en dan noteerde ik wel iets uit een lezing en stopte dat in die grote dozen op de juiste plaats… Tot op de dag dat ik vaststelde: ‘als het nog lang zal duren, zal het rap gedaan zijn’. Als ik nog lang wacht zal ik al dat papier in de oven mogen opbranden. IJdelheid en nog eens ijdelheid, alles is ijl en ijdel! Ja, ’t is nu of nooit. Na mijn 65ste, zal ik dan nog de concentratie hebben om alles bij te houden en fris, vlot, creatief te schrijven? Ik vroeg aan vader abt René: mag ik een jaar vrij houden om door die blz. te wandelen en alles te herschrijven in een vereende redactie? Hij was zo goed mij dit te gunnen. Ik vertrok op 30 september 2008, eerst naar Italië, naar de benedictijnen van Dumenza bij de Lago Maggiore (met de trein en met 70 kg boeken en papier als bagage), daarna naar Israël, Jeruzalem, de bijbelschool van de dominicanen. Op 8 juni 2009, vandaag juist een jaar geleden, was ik weer in de abdij en op 30 september 2009, juist één jaar na m’n vertrek voor Italië, op het feest van de exegeet Hiëronymus, was de integrale redactie klaar (een goeie 800 blz. A4). Ik hoefde nog slechts de vele fouten te verbeteren (opgespoord door enkele goede vrienden die met geduld alles lazen en herlazen), voetnoten aan te vullen, en het manuscript volledig persklaar te maken – tot en met de lay out (wat twee volle maanden in beslag nam en alleen dankzij de hulp van een leraar van de school, dhr François Ewaut volledig kon worden afgewerkt, waarvoor mijn heel bijzondere dank! Ik begrijp nog niet hoe dat allemaal lukte!). Op 19 maart was alles af. Een week later, de dinsdag van de Goede Week, bracht ik de 1200 en zoveel vellen papier naar de uitgever in Pendé nabij Abbeville. En nu ligt hier voor u de uitgeprinte en gebonden drieling…

Had ik in de thesis van Nijmegen 1978 vooral veel aandacht opgebracht voor de compositie en dus voor de onderlinge verhoudingen van de perikopen of kleine eenheden (men telt er 104 in Marcus), in het commentaar kreeg nu elke zin en elk woord binnen de structuur van de zin aandacht. Bij het begin van elke grotere eenheid geef ik de interne samenhang en de compositie weer, daarna sta ik stil bij de huid van de tekst, de taal (zeer rijk), de stijl (vol spitsvondigheden, ook woordspelingen in het Grieks), de retoriek (emfatische wendingen, poëtische geladenheid door herhalingen, verrassende wendingen om plots een geheel af te sluiten, enz). Tussendoor open ik een venster op problemen die een lezer aan het denken kunnen zetten: met betrekking tot de historische Jezus bvb. (het vasten van Jezus en zijn zin voor het feest, het meer als amfitheater bij gebrek aan beter, zijn reizen naar de overkant en voorbij de grenzen van het joodse land), met betrekking tot de catechese, de christologie, de visie op de geschiedenis, het geweld, en andere doordenkertjes. Op het einde van een grotere eenheid bevraag ik telkens Matteüs en Lucas (soms ook Johannes) om te zien hoe zij Marcus hebben herlezen, geëerbiedigd, verbeterd of aangevuld, op het vlak van de compositie. Daar het literair genre verschillend is, zullen ze vaak op dezelfde manier Marcus behandelen, en hem bijvoorbeeld systematisch dedramatiseren. Immers, de dramatiek in Marcus staat in dienst van de initiatie, terwijl noch Matteüs noch Lucas zo iets beogen als een inwijding van nieuwelingen in een geheim dat in etappes van herkenningen wordt ontsluierd.      

Heb ik iets geleerd sinds 1978? Wat is nieuw? Heb ik veel moeten veranderen van mijn uitgangspositie? Is het oude nog geldig? Is er tijdens het schrijven zelf niets tegengevallen?

én vers kunnen er twee of drie problement voorkomen. een paar goede commentaren bij de hand doorworstelde ik elk vers,  ieder

  • ik kan rustig stellen: de uitgangspositie (een tekst voor een nachtwake, met initiatorisch karakter) is door de detailanalyse enkel bevestigd geworden (en in het commentaar soms tot vervelens toe onderstreept). De synoptische vergelijking heeft bovendien onrechtstreeks bevestigd dat wat Marcus nastreefde door de twee anderen onderkend werd en, gezien hun verschillende spreeksituatie en literair genre, hebben ze dit stelselmatig achterwege gelaten. Het oude is dus nog geldig, meer dan ooit.
  • Er is ook iets vreemds gebeurd in relatie tot mijn promotor, wijlen prof. Bas van Iersel. Bij het lezen van zijn recentere studies en commentaren vond ik bij hem een stevig argument ter bevestiging dat Marcus in Rome geschreven is. Alleen in Rome hebben de christenen in de eerste eeuw formele vervolgingen gekend, onder Nero. Marcus spreekt over die vervolgingen, uitdrukkelijker dan Matteüs of Lucas. In Jeruzalem ontmoette ik bovendien een Vietnamese jezuïet, P. Doan. Ooit reisden we samen naar de Sinaï toen we allebei student waren in Jeruzalem (1972-73)]. Ik zag hem terug, en wist hoe hij in de gevangenis gezeten had. Hij vertelde me: het duurde 9 jaar lang. En hij is een verwoede lezer van Marcus. We hebben dan ook samen de hele tekst doorgenomen, terwijl hij zich liet toetsen in elk van zijn bevindingen. Hij wist me te vertellen dat een vervolging een zeer belastende ervaring is voor een kerkgemeenschap. Sommigen zijn bang, haken af, plegen verraad of verklikken zelfs anderen. Maar na de vervolging is er een ongelooflijke heropleving (en inderdaad de Vietnamese Kerk hoort vandaag tot de meest dynamische, met de meeste roepingen, in de hele wereld).

Welnu, uit de opmerking van Bas van Iersel en die van P. Doan, ben ik de rol van Petrus in Marcus nog anders gaan inschatten. Petrus verrast, want hij is degene die als eerste het grote credo uitspreekt maar hij is ook degene die tot driemaal toe zijn Heer verloochent (‘Ik ken die mens niet!’). Dat is en blijft een raadsel. Hoe moeten we dat verstaan? Wel, ook wanneer hij faalt blijft hij het kroonvoorbeeld voor de lezer. Want al diegenen die in de communiteit ooit gefaald hebben en verraad of verloochening van hun geloof gepleegd hebben, kunnen zich aan Petrus spiegelen, hij die dan toch op zeer voorbeeldige manier zijn levensloop als een sterven met Christus in Rome heeft afgesloten door de kruisdood. ‘Ik ben bereid met u te sterven’ (synapothanein, zie 14, 31), zei Petrus, en na zijn verloochening dééd hij het ook, in Rome.

  • Het integraal lezen van Marcus met groepen heeft me geleerd hoe de hoofdstukken 8 tot en met 10 de belangrijkste intuïties bevatten van de evangelist en hoe het juist daar regent aan paradoxen over verliezen en winnen, de eerste en de laatste zijn, over heersen door te dienen en zo meer. Elke paradox stoot tegen de borst, laat zich niet uitleggen of je maakt hem krachteloos. Dat paradoxale denken ligt de meeste exegeten niet. Marcus is er een meester in, en als we kijken naar de eerste brief van Petrus dan zijn er op dat punt enorm veel vergelijkingspunten met ons evangelie. Maar paradoxen kunnen alleen doorleefd worden: ze zijn als die gloeiend ijzeren bol in de keel van de zen monnik: hij kan de bol niet uitspuwen en evenmin inslikken!
  • Toen ik het passieverhaal opnieuw commentarieerde maakte ik een eigenaardig proces door. Ik beefde innerlijk om tot bij het einde te komen: wat nadien? Zal ik sterven met de protagonist van het verhaal? Zal ik het einde wel halen? Is dat nu het einde van al die jaren pluizen en optekeningen maken? Er gebeurde iets vreemds. Ik bleef dag aan dag verder schrijven, vers per vers, woord voor woord. Ik keek naar Jezus. Marcus zegt niet te veel over hem maar laat de camera van alles registreren rondom hem, terwijl men hem bespot, hem van zijn kleren berooft, allerlei vragen stelt waarop hij niet antwoordt… Hij ondergaat alles, doorstaat alles, blijft aanwezig, tekent geen verweer of protest aan. Toch voel je kracht, presentie, straling. Iets blijkt van binnenuit in hem overwonnen en hij gaat door alles heen, getekend, heel zeker, maar ook ongedeerd, vrij… Een van hen die mij verbeterden voor de taal sprak haar verwondering uit: hoeveel zachtheid zit er in die bladzijden! Ja, daar heb ik iets heel vreemds doorgemaakt op rekening van wat de schrijver juist niet zegt. ‘De zachtheid is sterker dan alle geweld’, zei Louis Lavelle, en die zachtheid mocht ik er mede ondergaan als ultieme kracht.

Ik hoop dat wie het waagt door deze bladzijden te wandelen iets zal proeven van wat ik ontdekt heb in het schrijfatelier van de evangelist, Marcus als kunstenaar.

Ik hoop ook dat wie zich waagt aan die noestige tekst zonder franjes ook de krachtig paradoxaal denkende evangelist zal tegenkomen en er de bevrijdende overkant van zal proeven.  Marcus is een denker van formaat.

Ik hoop dat we allemaal in de leer van deze overlevende op onze beurt evangelisten worden die met heel weinig verder trekken door de tijd. Marcus heeft al zijn meesters een schandelijke dood zien sterven: Petrus en Paulus, de twee Jakobussen, de zonen van Zebedeüs, en Andreas, laat staan Stefanus en de Heer Jezus zelf. Hij is blijven geloven, blijven getuigen, blijven zaaien en vertrouwen: ‘Of de boer nu slaapt of opstaat, vanzelf brengt de aarde vrucht voort…’

Onlangs overleed een oom en de familie had een tekst van Marcus gekozen, zeggend: onze vader hield van die tekst en jij die zo van Marcus houdt zult wel weten wat je ermee moet aanvangen. Marcus 11, 22-25. Na de verbaasde vaststelling van Petrus dat de vervloekte vijgenboom een dag later tot op de wortel verdord is, verklaart Jezus:

‘Heb geloof in God.  23 Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden.  24 Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden.  25 En wanneer gij staat te bidden, vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw overtredingen vergeve’.

Ik was zelf verbaasd dat die oom zoveel in die tekst gevonden had. Bij het herbeschouwen ervan, stelde ik echter vast: hier schrijft Marcus de kern neer, het enige noodzakelijke om Kerk te zijn, voorbij de totale vernietiging van de plaats van de oude cultus, de tempel. Die kern heeft drie componenten: het geloof, het gebed en last but not least de vergeving. Heel het denken van Marcus wortelt in het geloof en verwacht biddend niets anders dan de gave van de Geest die ook vergeving betekent. De eerste zin van zijn evangelie is wel vier verzen lang maar mondt uit in niets anders dan: ‘met het oog op de vergeving van de zonden’. De vergeving komt om de drie vier bladzijden terug in zijn evangelie, telkens als een hoogtepunt in wat Jezus is komen bewerken onder mensen. Marcus heeft veel zien in elkaar storten maar de rots waarop hij bouwt is dat weinige waaraan we vandaag als Kerk best ons nieuw kunnen optrekken: geloof in God, vertrouwvol bidden en delen in de Geest die vergeving wederkerig schenkt en bewerkt. ‘IJdelheid der ijdelheden’, zegt Prediker.  ‘En overigens, mijn zoon, wees gewaarschuwd; er is geen einde aan het maken van veel boeken en veel doorvorsen is afmatting voor het lichaam.  13 Van al het gehoorde is dit het slotwoord: Vrees God, dat is pas de gehele mens’. Zo besluit hij zijn boekje, onze Prediker.

Het laatste woord in Marcus is eveneens : de vrees. De vrouwen bij het graf vluchtten weg, ‘en ze zeiden niets, aan niemand, want ze waren een en al vrees’. Die heilige schroom, zo zegt de wijze woestijnvader abba Poimên, is begin en einde van alles. ‘Er staat immers geschreven: Het begin van de wijsheid is de vreze des Heren. Anderzijds, wanneer Abraham het altaar beëindigd had voor het offer, zei God hem: Nu weet ik dat je God vreest.’ In die bevende schroom vertrok ik op 30 september 2008 naar Italië in de nog onzekere hoop of het wel zou lukken alles opnieuw te schrijven. In die schroom geef ik dat boek nu af, ‘het is niet meer van mij’, zoals de dichteres Ida Gerhardt ooit noteerde over een vers. In die schroom hoop ik dat u al lezend dichter bij de Verrezene zult uitkomen, bij hem die einde en begin is van elk duurzaam goed nieuws onder de zon. ‘Alles is goed’, zei moeder en ‘alles wordt goed’, zo schreef Julian of Norwich. In die hoop mag de boer, na al het zaaiwerk, nu beginnen denken aan slapen? Dankbaar.    

Mten wat je ermee moet aanvagen.milie had een tekst vn Marcus gekozen, zeggend: onze vader hield van die tekst en jij zult wel Overzicht:

1970/71: ergens tussen Marcus 7 en 8
1972: Marcus 6, 14 tot 10, 52, één geheel uit twee grote secties, samengevoegd in een centrale sectie van 25 verzen (8, 27 tot 9, 13).

1974-1978: Marus 1 tot 16, 8: drie delen, één redevoering, één drama
-  paasverhaal of vroegchristelijke haggadah voor de paasnacht
-  initiatietekst waarop het doopsel en de eucharistie volgden

Begin de jaren ’80: voorstel van P. Pierre Benoit, commentaar in de Etudes bibliques
1994, 19 september, einde van de eerste redactie van het commentaar
2008,  30 september: vertrek naar Dumenza (Italië)
2009, 16 februari: aankomst in Jeruzalem, EBAF
2009, 30 september: einde van het commentaar, laatste redactie
2010, 15 januari: einde van de correcties
2010, 19 maart: einde van het werken aan de lay out.
2010, 5 juni: eerste exemplaar in de abdij.]

Publicaties over Marcus, integraal

1976: Heiliging en Benedictijns Tijdschrift, het eerste commentaar: Het Marcusevangelie. Navolging van Jezus, de geliefde Zoon van God.
1978: thesis in Nijmegen : L’évangile selon Marc. Composition et genre littéraire (²1984)
1983: L’évangile selon Marc. Commentaire, (Lire la Bible 61) ; (61bis, ²1997).
1983: Met Marcus Jezus achterna, retraite met het oudste evangelie, Brecht; ²1994.
1984: Il Vangelo secondo Marco. Commentario. (Letture bibliche), Borla.
1985: ‘L’évangile selon Marc’ (commentaire suivi), in L’univers de la Bible. (cf A. Chouraqui), Lidis, t.VIII, Paris (1985), p. 165-248.
1985: Marcus, geweld en genade, Lannoo.
1996: Marcus in de liturgie. Commentaar bij de zondagsperikopen van de B-cylus, Licap.

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​