Tertio 540 - Toespraak Geert Van Oyen Boekvoorstelling Benoît Standaert

Toespraak Geert Van Oyen Boekvoorstelling Benoît Standaert

Benoît Standaert heeft een nieuw boek over Marcus geschreven.
Benoît Standaert heeft een nieuw boek over Marcus geschreven.
Benoît Standaert heeft een nieuw boek over Marcus geschreven.

Inleiding

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom u naar hier bent gekomen. U bent een fan van Benoît Standaert, u bent een fan van Marcus, u hebt interesse voor nieuwe boeken. Of een combinatie van twee of drie van deze redenen. De tekst die werd gelezen is voorgegeven, maar de manier waarop de drie mensen hun zin hebben voorgelezen drukt een perspectief uit, een interpretatie van hoe ze deze avond willen en zullen ervaren: ze hebben verwachtingen en kijken vanuit hun eigen situatie naar wat er hier gebeurt. Dat er iets als interpretatie bestaat, wijst erop dat er een betrokkenheid van de lezer bij de tekst is. Zonder die betrokkenheid was u immers niet naar hier gekomen. Indien we de voorbeeldzin nog iets langer zouden maken, dan ontstaat al de mogelijkheid om een plot, een verhaal, intrige, te maken. “Benoît Standaert heeft een nieuw boek over Marcus en Geert Van Oyen zal het inleiden”. Niet alleen klemtoon maar ook verbanden kunnen, mogen en moeten gelegd worden. We hebben een verhaal. Een verhaal dat op papier hetzelfde is maar in de hoofden van elke lezer anders wordt gepercipieerd. De reden daarvoor is dat er in de tekst “leegtes” te vinden zijn, “gaps”, “des blancs”. U kunt proberen te achterhalen wat er achter het verhaal steekt, maar dan zal u moeten informeren, bij Benoît Standaert, bij Geert Van Oyen, bij het Bijbelhuis, enzovoort. Het is dan de vraag of er uit die gegevens een eensluidend antwoord kan worden gedistilleerd en of dat een juiste, laat staan unanieme reconstructie van de feiten komt. Ik houd het voor het moment even hierbij om mijn kijk op de nieuwe Marcuscommentaar in te leiden. Het hele proces om een tekst te begrijpen is in werkelijkheid nog ingewikkelder, maar het kan volstaan aan te tonen dat ook Benoît Standaert voor het schrijven van zijn commentaar noodzakelijkerwijze een bepaald perspectief in heeft genomen en dat ook hij de “blancs” in de tekst heeft ingevuld. Hij doet dit niet op een verholen manier, maar doelbewust formuleert hij aan het begin van zijn boek: “De belangrijkste vraag vandaag lijkt me te zijn: begrijpen we wat de functie van het evangelie volgens Marcus was in de gemeenschap(pen) die het ontstaan van de tekst hebben meegemaakt?” Zijn antwoord is even duidelijk als de vraag, en ik vat het voor u graag nog eens in mijn eigen woorden samen: ‘de functie van het Marcusevangelie voor de oorspronkelijke doelgroep is in één ruk voorgelezen te worden tijdens de paasnacht (eigenlijk paaswake), als initiatietekst die de catechumenen moet inleiden tot het doopritueel en als inleiding op het vieren van de eucharistie. Marcus heeft daarvoor een retorisch opgebouwd dramatisch verhaal gecreëerd, bedoeld om zijn lezers/toehoorders te laten participeren en zo hun aandacht te richten op de terugkeer van de Messias. Als Marcus al zou gewild hebben een verleden te reconstrueren over Jezus, dan acht hij toch een ander doel veel hoger, namelijk het engagement van de lezer om in zijn oproep mee te gaan’ (p. 8-11).

De vormgeving

Ik zeg het van meet af aan. Het antwoord van Benoît en de manier waarop hij het heeft uitgewerkt kent onder de vele Marcuscommentaren zijn gelijke niet. Het is een heel persoonlijke commentaar geworden en ik wil hem uitdrukkelijk feliciteren. Al zijn kennis en wijsheid die in de loop van meer dan dertig jaar Marcusgedrevenheid is opgedaan vindt zijn neerslag nu in één werk, in drie volumes. De auteur heeft slechts één doel voor ogen: aantonen hoe het Marcusevangelie vanaf het eerste tot het laatste woord doordrongen is van deze visie. Alle vormelijke ingrediënten van een verzorgde commentaar zijn aanwezig: de Griekse tekst, een vertaling, vragen over tekstkritiek, een inleiding over de evangelist Marcus, het milieu, de plaats en de tijd van ontstaan, een voetnotenapparaat, duidelijke indices over thema’s, auteurs (soms wel eens te corrigeren zoals wanneer u naar Van Oyen zoekt), bijbelse en niet-bijbelse vindplaatsen, een bibliografie. Maar de specialist Benoît Standaert biedt de lezer meer aan. Vooreerst zijn er de thematische visueel omkaderde onderwerpen die verspreid over het boek uitleg geven over enkele kwesties, soms details in de tekst, soms motieven, soms woorden. Ik doe een greep van pak’m beet tien dergelijke thema’s: Jezus en het vasten, Jezus en de vrouwen, de maaltijden, de broers en zussen en de familie van Jezus, de tijd in het Marcusevangelie, vrees en ontzag bij Marcus, Marcus en de demonen, Jezus en de maaltijden, ‘willen’ en ‘kunnen’ in Marcus, het volk,… . Het is prettig voor de lezer om soms in een notendop gebundeld te zien wat anders heel verspreid over het werk aanwezig is. Verder is er de onmetelijke kennis van de contemporaine joodse en romeins-hellenistische literatuur die als constitutieve elementen voor het verstaan van Marcus’ tekst aan worden gehaald. Men hoeft maar de registers achteraan open te slaan om te zien welk een goudmijn daar voorhanden is. Het aanwenden van deze literatuur is geen verluchtend ornament in het boek. Het is er een wezenlijk bestanddeel van omdat het Marcus helpt verstaan. Ten derde is er – wat ik zou noemen – de integratie in de commentaar van teksten uit de literaire schat van de christelijke traditie en van de andere religies en spirituele stromingen, niet alleen uit het verleden maar ook in het heden. Het zal niemand verbazen dat, naast de woestijnmonniken en vele kerkvaders, vooral de benedictijnse spirituele traditie daar een opvallende plek in krijgt. Maar ook de Russische mystiek, de Koran en Bernanos ontbreken niet. Een kleine kanttekening daarbij: de auteur vraagt zelf dat we hem zouden pardonneren dat hij niet altijd de laatste wetenschappelijke publicatie over zijn onderwerp bij de hand had. Ik wil dat graag doen, want zijn opmerking getuigt van passende nederigheid, maar daar staat tegenover dat de lezer zich dus wel kan tegoed doen aan een overvloed aan andere literatuur. Ten slotte wijs ik nog op een vierde element, namelijk de veelvuldige vergelijking met hoe de andere evangelisten met Marcus’ tekst zijn omgegaan, en ook hoe in andere geschriften van het Nieuwe Testament de Marciaanse thema’s aanwezig zijn. Soms lijkt het wel dat we niet enkel een commentaar op Marcus in handen hebben maar een toelichting bij de vier evangeliën en het Nieuwe Testament. U hoort het, het aanbod is groot en je moet bij de lectuur de aandacht scherp houden of je loopt zelfs het risico te verdrinken in het welige aanbod. Soms lijkt het wel of die verschillende bronnen waar uit geput wordt met elkaar in concurrentie gaan om de bovenhand te willen krijgen: Marcus tekst is zowel een soort christelijke haggadische literatuur àls een drama, àls catechese en initiatie, àls paschale liturgie, àls retorische artistiek, àls een artistiek verhaal, àls voedingsbodem voor latere “geestelijke oefeningen”. En dat alles moet voor elke perikoop opnieuw worden toegelicht én bij elkaar worden gehouden. Als ik spreek over een “persoonlijke” commentaar dan maakt de zopas geschetste manier van tekst benaderen Benoîts werk wel echt tot een unicum. Om al deze redenen mag men terecht zeggen: Benoît Standaert heeft een nieuw boek over Marcus geschreven.

Op de uitnodiging voor deze bijeenkomst staat geschreven dat de commentaar als het levenswerk van Benoît kan worden gezien. Is dat zo? Ik hoop het niet, want als ik goed zie dan zit de man hier nog springlevend in ons midden. Maar toch is het natuurlijk wel zo dat men volmondig moet beamen dat de commentaar het “werk van zijn leven” is. Het is de commentaar van Benoît Standaert. Hij zit er helemaal zelf in. De mens en de monnik markeren Marcus. Niemand anders kon dat werk schrijven en Benoît zelf zou het niet anders hebben gekund. Het is inderdaad Benoît Standaert die een nieuw boek heeft geschreven. En zo moeten we nu de stap zetten van de vorm van de commentaar naar de inhoud. Het is in dat verband opvallend dat het nog steeds de opvattingen van 1978 zijn – het jaar van Benoîts dissertatie – die naar voren worden geschoven en die reeds in een miniversie toegankelijk waren in zijn Marcus, geweld en genade en in vele andere publicaties waar hij over deelkwesties van Mc heeft geschreven. Hij heeft zijn ideeën sinds 1978 niet gewijzigd en hij geeft dat ruiterlijk toe. Hij is er trots op. Zijn ideeën van toen zijn in de loop van dertig jaar alleen maar gerijpt en volgroeid, maar ze hebben dezelfde smaak. Het nieuwe steekt hem uiteindelijk in het toepassen van zijn interpretatie op alle tekstuele onderdelen van Marcus, en het is ongetwijfeld die rijpheid die er voor gezorgd heeft dat de commentaar eigenlijk meer een thesis verdedigt dan een hypothesis, meer een stelling dan een veronderstelling. De auteur poneert zijn visie en het ontbreekt soms wel aan discussie en debat. Laten we even in concreto kijken wat de stelling inhoudt door te zien hoe ze is toegepast op één perikoop.

Een voorbeeld als illustratie

In Marcus 16,1-8, de slotperikoop van het oorspronkelijke Marcusevangelie, zitten alle elementen verborgen die de thesis van de commentaar ondersteunen. Ik noem ze hier niet allemaal, maar toch een belangrijk aantal.

Liturgie van de paasnacht en dooprite (als christelijke literaire haggada)

  • Van de sabbat (v. 1)  wordt de christelijke betekenis verdiept door de teksten van het NT, het OT, van de Oosterse en Westerse liturgische teksten alsook de iconografie erop te betrekken (1175-1176).
  • De eerste dag van de week roept herinneringen op aan de liturgie (1178)
  • “De zon was reeds opgestaan” krijgt een symbolische betekenis omdat het aankondigt dat het licht al is opgestaan voor de vrouwen er zullen zijn. Latere teksten en iconografie beelden het verder uit (1178-9)
  • De jongeman is niet alleen een goddelijke boodschapper (op het narratieve niveau), maar ook een initiandus op het discourse niveau voor de lezer. De omvorming van kledij (14,51-52 à 16,5) is teken van de dooprite (1183). De jonge man is (o.a.) degene die sterft in het graf en opstaat uit de dood, de nieuw gedoopte.
  • “Dit is de plek waar ze hem hebben neergelegd” is een echo van een oude liturgie (1187).

drama

  • De gang van de vrouwen, van het kruis naar het graf en van het graf naar de opstanding, wordt als een bedevaart beschreven naar de bronplaatsen. Het is tevens het beeld van de weg die de dopeling moet gaan (1177)
  • De aanduiding vroeg in de morgen (v. 2) correspondeert aan het exacte tijdstip waarop de lezer op het moment van zijn lectuur in de paasnacht is gekomen (1178).
  • Het binnengaan van de vrouwen wordt vergeleken met het binnengaan van de dopeling die de wateren des doods zal doorwaden naar het leven (1182).
  • De emoties van angst van de vrouwen worden omschreven als “kathartisch”. (1182) De tekst nodigt uit om over te gaan tot de actie van de doop zelf (cf. Rom 6,1-6) (1184).
  • De opmerking: “Jullie zoeken…” is in feite de samenvatting van wat de lezer nu al twee uur doet tijdens zijn lectuur van het evangelie (1186).
  • De vlucht van de vrouwen is een teken van het grote mysterie dat haar te beurt is gevallen. Marcus doet dat steeds bij grote momenten (cf. transfiguratie). (1192). Dat de vrouwen hun angst niet kunnen overwinnen na de woorden van de jongeman en dat ze niets zeggen verloopt volgens een logische lijn die makkelijk te begrijpen is (1192).
  • Zwijgen, angst en weglopen zijn drie elementen die perfect passen in een drama (1193). Daardoor wordt de ruimte gecreëerd voor de lezer/toehoorder om verder te gaan met de liturgie, (1193).

de bronnen

  • de referentie naar de proto-ontmoeting met de verrezene door Petrus moet het resultaat zijn van mondelinge traditie te Rome. Iedereen daar wist ervan (1189).
  • Dat zwijgen van de vrouwen is dus geen probleem en we moeten de verklaring niet te ver zoeken. Het creëert gewoon de mogelijkheid dat Petrus wordt aangeduid als de eerste die Jezus heeft gezien. Vers 7 haalt het op vers 8.

Narratieve elementen

  • Diverse gevallen van het creëren en nieuwsgierigheid en verrassing bij de lezer (zon komt op / wie zal de steen wegrollen / de steen is groot / zien van de jonge man/ …)

Op die manier heb ik geprobeerd een beeld te geven van hoe de auteur Standaert een eenheidsperspectief creëert in zijn interpretatie van Mc 16,1-8 en – omdat het de laatste perikoop van het evangelie betreft – ook van het geheel van Mc.

Twee beschouwingen

Ik heb twee overwegingen. Niet om van het werk af te doen. Beste toehoorders, ga nu niet van hier weg met het idee dat ik de commentaar zou afbreken. Ik ben Geert Van Oyen en ik ben niet waard de riemen van zijn sandalen los te doen. Maar wie een commentaar schrijft positioneert zich in het debat over Marcus en nodigt anderen uit daaraan deel te nemen. Ik wil daar een eerste vriendelijke aanzet toe geven. En ik wil dit doen in de geest waarmee ik dit praatje ook ben begonnen, namelijk het bekennen dat ook mijn lezing van Marcus en nu dus van het boek van Benoît een bepaald perspectief inhoudt. Het zijn daarom geen theoretische overwegingen, maar het zijn vragen waar ik mezelf in steek, precies zoals Benoît zich in zijn commentaar heeft gestoken. Wie een commentaar op Marcus schrijft heeft de moed om zich kwetsbaar op te stellen. En dat is ook wat ik wil doen.

Mijn eerste overweging betreft de methode die in het boek wordt gehanteerd. Het feit dat er in de Inleiding geen kopje is voorzien om over methode te spreken strookt met mijn leeservaring dat ik moeilijk kan bepalen welke benadering hier nu eigenlijk aan de orde is. Het is als het ware de keerzijde van wat ik zopas als rijkdom geroemd heb in het boek, namelijk de veelzijdigheid. Niet dat er niet over methode wordt gesproken – en ik excuseer me dat ik me nu waarschijnlijk even wend tot de mensen die professioneel met exegese bezig zijn – maar er is van alles terug te vinden: retorische kritiek in de zin van de antieke retoriek bijvoorbeeld wordt uitdrukkelijk toegepast om het evangelie als een drama te lezen; de auteur heeft het daarom ook consequent over de “lezer/toehoorder”; het geheel leidt tot een dénouement (al vraag ik me af waarom hier in geen enkele van zijn publicaties een Latijnse term terug te vinden is?). En er worden aan het Marcusevangelie, dat als narratieve theologie wordt omschreven, ook karakteristieken uit de narratieve benadering toegekend: récit (in de zin van plot), ontwikkeling van personages, de betekenis van tijd en ruimte…. Ook wordt er – zonder het expliciet te noemen – aan reader response kritiek gedaan, waarbij nu eens de werkelijke eerste historische lezer van Marcus, dan weer de hedendaagse lezer of ook wel de vele historische lezers gedurende 1900 jaar staat centraal staan. Wanneer het de hedendaagse lezer betreft kan ook van een soort spirituele leesmethode kunnen spreken. Canonical criticism is zeker niet ver weg: Marcus heeft slechts zin wanneer men het een plek geeft in de totaliteit van de Bijbel (dat gaat van het Oude Testament over Paulus naar de Hebreeën en de Petrusbrieven). Ik moet zeggen dat ik mezelf in heel veel – niet alle - van deze analyses kan terugvinden, voor zover die op het literaire en retorische vlak blijven. Maar er is één algemeen en voor de commentaar essentieel punt waar ik een zeer ambivalent gevoel bij heb en dat is het onderdeel van de historische reconstructie. Vanaf de tweede bladzijde stelt Benoît terecht dat de kwestie van Marcus’ bronnen, herkomst, auteur en datering uitermate hypothetische antwoorden heeft opgeleverd in bijna tweehonderd jaar onderzoek. Scepsis is dus geboden. En toch zijn juist deze zaken een onmisbaar punt geworden in de commentaar, een punt waar ik grote twijfels bij heb. Benoît weet zo veel, ik weet zo weinig. Hij weet dat Petrus Marcus, die zijn leerling is geweest, heeft geïnformeerd (een traditionele constructie die men in recente internationale commentaren vandaag wel opnieuw meer en meer aantreft) en dat die Petrus een spiritueel proces heeft doorlopen dat in het evangelie is terug te vinden (16). Hij weet dat Marcus alles bij elkaar een reëel vertrouwen op het historische niveau verdient (14). Hij weet met zekerheid – weliswaar zonder honderd procent sluitend bewijs - dat Rome de plek is waar het evangelie is geschreven (29). Hij weet zo veel over die ene nacht met Pasen en over een soort voorbereidende catechese die de leerlingen hebben gekregen vooraleer gedoopt te worden, hoewel ook hij moet erkennen dat er geen enkel literair overblijfsel van is (47-63). Hij weet met zekerheid dat Lucas en Mattheüs niet alleen Marcus’ evangelie hebben gekend maar ook bekend waren met de identiteit van zijn auteur (21). En ik zou kunnen doorgaan. Al die historische achtergronden zijn in de commentaar niet zomaar inleidende kwesties. Ze zijn voor de auteur noodzakelijke achtergrond om het specifieke karakter van Mc als initiërende tekst te begrijpen. Ondanks diverse terechte opmerkingen in de commentaar dat historische kwesties niet het belangrijkste zijn, kan de auteur niet ontkennen dat het aspect geschiedenis onmisbaar is voor zijn interpretatie. En het is het Marcusverhaal binnen die gereconstrueerde historische context dat dan toch de norm blijkt te worden voor hedendaagse lezers. Dit is voor mij het delicaatste punt van de commentaar. Los van mijn persoonlijke standpunt dat ik de betekenis van een tekst meer uit de interne structuur van de storyan sich laat spreken (en minder uit hypothese op hypothese opgebouwde reconstructie van een externe history), stelt zich hier een fundamenteel probleem voor de Bijbelstudie in het algemeen: Welke waarde moet men hechten aan een gereconstrueerd verleden om de boodschap in het heden te verstaan, want dat laatste is uiteindelijk waar het de auteur om te doen is? Ik zou daarin zeer voorzichtig zijn. Ik vermoed dat de baptismale context een hypothese is die veel mensen zal overtuigen vanwege de coherente en consistente manier waarop Benoît die aanbrengt en omdat ze mooi past in het hedendaagse christelijke plaatje van mensen die het christendom een heel warm hart toedragen, als initiërenden of als geïnitieerden. Maar … dat is slechts mogelijk wanneer men die hele historische reconstructie als waar aanneemt. Maar wat als de context van Marcus nu toevallig eens een andere zou zijn geweest dan een sacramentele? zelf, uit de verhaaldynamiek

En zo kom ik bij mijn tweede overweging, die betreft de commentaar en de doelgroep voor wie Marcus vandaag iets kan betekenen. Laat me beginnen met uit de rijke reeks aan inzichten en beschrijvingen in de commentaar waar ik het helemaal eens mee ben, er één uit te kiezen die me zeer dierbaar is: de paradoxale boodschap van Marcus. Het is terecht dat dit thema als een refrein weerklinkt door de commentaar (zie index) en dat er een omkaderd stuk aan is gewijd. Ik vat het als volgt samen. Jezus’ paradoxale boodschap is te horen in woorden als: “Wie de grootste wil zijn, moet de kleinste worden; wie zijn leven wil redden, moet het verliezen”. Paradoxaal, omdat je moeilijk samen kunt denken dat iemand tezelfdertijd groot en klein is. Marcus’ paradoxale boodschap over Jezus luidt: het halleluja van Pasen is onlosmakelijk verbonden met het lijden en de dood. Paradoxaal, omdat je moeilijk samen kunt denken dat de dood van iemand ook zijn echte leven inhoudt. En toch zie ik een subtiel verschil in gradatie mogelijk met betrekking tot wat men onder “paradoxale boodschap” kan verstaan, in het bijzonder wanneer men een relatie ziet tot de doelgroep voor wie de boodschap is bestemd. In Benoîts commentaar is vanwege de baptismale initiërende functie vooral een publiek geviseerd dat zelf ook de christelijke rite aanvaardt als uitdrukking van een paradoxaal bestaan of dat op zijn minst de stap wil zetten in die richting. Daardoor komt het opbouwende, vormende, vreugdevolle aspect van het overschrijden van de spanning in de paradoxale boodschap voor de lezer net iets meer in het centrum te staan (p. 702) dan het twijfelende, zoekende, zelfbevragende, verwarrende, verontrustende aspect. Komt men los van die historische achtergrond dan kan het wel eens zijn dat – om de woorden van Daniel Marguerat te gebruiken – “la déstabilisation du lecteur” iets belangrijker wordt. De leerlingen worden personages vol onbegrip, de vrouwen bij het graf zijn geen haar beter en snappen er niets van; ze zijn niet vol eerbiedige angst of “révérence joyeuse”, maar hebben angst en vluchten zoals iedere hoofdrolspeler het hen voor deed; er is geen rituele inwijding voor de toehoorders want er volgt geen ontmoeting met de verrezen Heer in het verhaal, maar die lezers worden het leven weer ingestuurd. Insiders worden outsiders, het voorrecht van ingewijd te zijn wordt vernietigd, de destabilisatie van de ingewijde is even zeer aanwezig als de vorming. Ook al zou de rite of inwijding die paradox overstijgen, men wordt er in het leven zelf steeds opnieuw mee geconfronteerd. Het is misschien ook wel een paradox van Marcus dat hij ons gewoon inwijdt in het paradoxale karakter van het leven zelf. Niet het ontvangen (“accueillir”) van de paradoxale boodschap is voldoende, maar de beleving ervan. Leerlingen met een naam worden dilettanten, terwijl naamloze toevallige mensen de boodschap beleven. Ik zie dan ook, wanneer men loskomt van de historische reconstructie, meer mogelijkheden om vandaag vanuit Marcus een andere doelgroep te bereiken, die verder van het interne groepsgebeuren van het christendom staat. Ik bied deze lezing niet aan als het alternatief voor Benoîts interpretatie. Ik denk wel dat de tekst ook andere lezingen, zoals deze, toelaat. Door zo duidelijk positie te kiezen opent de commentaar van Benoît een debat over de manier waarop religieuze teksten vandaag betekenis krijgen, voor wie ze bedoeld zijn en wie bepaalt wat ze betekenen.

Besluit

Men zal me misschien vragen: Heeft Benoît gelijk met zijn interpretatie? Mijn antwoord is: Vandaag mogen we leren leven met verschillende niveaus van interpretatie, afhankelijk van waar de lezers zich bevinden. De betekenis van een tekst, ook van een religieuze tekst, kan immers veranderen. Er is dus geen beter advies mogelijk dan de bekende Engels spreuk: “The proof of the pudding is in the eating”. Proeft van de rijke smaken van het boek en laat het u smaken. Laat uw levensperspectief, uw gelovig en/of uw zoekend perspectief los op het perspectief dat Benoît Standaert over Marcus heeft gegeven. Ontdek waar u staat als ingewijde of inwijdeling, als initiator of initiandus. Misschien komt u na het lezen van de commentaar wel tot het schrijven van een klein nieuw plotje: “Benoît Standaert heeft een nieuw boek over Marcus geschreven en het zijn voor mij woorden om van te leven!”

Tertio in je mailbox

Geef hieronder je e‑mailadres in en blijf als eerste op de hoogte van Tertio inhoud.

Ja, ik geef mijn toestemming om mijn naam- en adresgegevens, telefoon en email, op te nemen in het bestand van het christelijke opinieweekblad Tertio, Louis Frarynlaan 75, 2050 Antwerpen. Ik heb het recht op toegang tot, verbetering of schrapping van die gegevens. Mijn gegevens worden niet aan derden doorgegeven. ​