En ’t viel ne keer een bladtjen op
het water
En ’t lag ne keer een bladtjen op
het water.
Aan de rand van het water, G.,
spraken we elkaar
raakten we elkaar kwijt
omdat de tijd een zwemmer is.
Wij waren de uitverkorenen,
onze huid leek licht door te laten.
De karkassen van de knotwilgen
stonden in het gelid.
Van de oever hoopten we dat hij zijn rug
niet naar ons toekeerde.
Van de wind dat hij richting wist te geven.
Kom hier, zei iemand.
Zeg niets over het brakke.
Een bries vlakte het grijsblauw uit
en helderde niet op.
In de bedding vermoedden we een dorp
flarden van huizen
gesprekken flitsen van gezichten.
Alles zou bloot komen te liggen
alles zou druipen.
Alles zou weer aan land kruipen.
We wisten dat het ons de maat zou nemen.
Verder lezen?
Log in op uw Tertio account en lees meteen verder
Nog geen account? Neem een digitaal abonnement en lees meteen verder.
Of maak een Tertio proefaccount aan en lees 1 maand gratis online!
Lees ook...
Cannes verrast Lukas Dhont met acteerprijzen
De oorlog als scenarist


