© Firmin De Maître

Wetenschap is voor velen de norm geworden voor waar en goed. In zijn boek Wijsheid ontmaskert Paul Verhaeghe het idee van wetenschap als substituut van religie. Hij pleit voor wijsheid die ons kan redden van de dreigende ondergang. “We verwarren kennis met wijsheid. Het drama is dat de hoop dat wetenschap op alles een antwoord biedt ons heeft opgezadeld met een gigantisch probleem van zingeving.”
“Wijsheid is waar we antwoorden zoeken op existentiële vragen”

Als kind speelde Paul Verhaeghe met de kinderen van het instituut Dominiek Savio in Gits, een van de grootste instellingen in ons land voor mensen met een beperking. Het zou hem later inspireren om orthopedagogiek te studeren met als doel daar te werken. In het “diepe West-Vlaanderen”, zoals hij het noemt, ging je studeren om daarna terug te keren naar de heimat. Hij was de eerste van de familie die hogere studies deed. In Gent waren de kandidaturen voor psychologie en pedagogiek toen nog gemeenschappelijk, om na twee jaar een definitieve keuze te maken. 

Het was de periode van professor Maria Wens en het schandaal rond Vrij en Vrolijk, de instelling voor bijzondere jeugdzorg die zwaar onder vuur kwam wegens misbruik en verwaarlozing en waarvan zij bestuurder was. Daarom koos hij voor klinische psychologie. Die richting was toen hip, denk aan het theaterstuk Equus en de antipsychiatrie. Maar het stelde toen nog niet zoveel voor en de jonge Verhaeghe koos uiteindelijk voor de psychoanalyse, omdat hij daar een stevige theoretische achtergrond vond. 

Maar ook die bleek niet de antwoorden te bieden die hij zocht. Onmiddellijk na zijn afstuderen vond hij werk in zijn eerste roeping, zij het in de bijzondere jeugdzorg. Hij was verantwoordelijk voor de jongste groep en voelde zich daar als een vis in het water. Na lang twijfelen ging hij in op een aanbod om te doctoreren. Hij dook opnieuw in de psychoanalyse, meer bepaald in het werk van Jacques Lacan, dat een verruiming bood naar linguïstiek en antropologie en voor hem een openbaring betekende.

Wat heeft de psychoanalyse u geleerd?
“Ik ben kritisch voor de psychoanalyse, maar ik vind dat er vaak een karikatuur van gemaakt wordt. Freud was een complex denker die veel van zijn stellingen in vraag durfde te stellen en telkens weer aanpaste. Verdringing bijvoorbeeld: hij vroeg zich af waarom mensen die een trauma hebben meegemaakt daar geen herinnering aan hebben. Hij heeft over dat mechanisme een theorie gevormd, die nu achterhaald is maar wel het probleem correct beschreef.”

In uw vorige boeken leek u een freudiaans idee van religie te hebben?
“Ik heb de ontkerkelijking meegemaakt, maar de deur niet met één klap dichtgegooid. Dat is geleidelijk gegaan, religie werd steeds minder relevant. Sommige leeftijdsgenoten gingen het dan zoeken in oosterse religies. Dat zegt mij niet veel. Wat ik zelf vlug doorhad – wellicht door Freud – is dat er een onderscheid is tussen het instituut en religie. Elk religieus instituut, zonder uitzondering, lijdt aan machtsmisbruik, zeker als er een patriarchale samenleving achter zit. Van zowel dat instituut als het patriarchaat heb ik uitdrukkelijk afstand genomen.”

“Elk religieus instituut, zonder uitzondering, lijdt aan machts-misbruik.”

“Rond je veertigste – typisch voor die leeftijd, denk ik – stel je meer vragen. Ik heb toen de boeken van Karen Armstrong gelezen, daar herken ik veel in. Ik vind het wel heel moeilijk om dat uitgelegd te krijgen. Voor mij is een religieus gevoel iets heel intiems. Ik ben ervan overtuigd dat er buiten ons iets is, iets hogers, alleen ga ik dat niet verpersoonlijken. Ik leun eerder aan bij het Deus sive natura (‘God oftewel natuur’) van Spinoza. Zowel de natuurwetenschap als de religie vertrekt vanuit axiomatische aannames. Als je dat doorhebt, ga je heel anders denken over de wereld.”

In Onbehagen had u felle kritiek op de neoliberale samenleving, die psychische problemen genereert. Is dat niet te eenzijdig?
“De kritiek die ik zeker begrijp, is dat ik het als een containerbegrip heb gebruikt. Wat is nu precies neoliberaal? Je kunt wel zeggen dat een aantal problemen zijn ontstaan door de veranderingen op de arbeidsvloer. Na de jaren 1980 slokken de multinationals de kleinere bedrijven op. Die zijn beursgenoteerd en dan wordt financieel rendement het enige criterium. Dat veroorzaakt grote stress bij de bedrijfsleiders, die vervolgens hun werknemers onder druk zetten in functie van hogere rendementen. Vanaf 2000 komt het verschijnsel burn-out op.”

“Als je alleen dat bekijkt, ligt de schuld inderdaad uitsluitend bij die nieuwe arbeidsorde. Maar dat staat niet geïsoleerd. Die veranderingen kaderen in maatschappelijke evoluties. Identiteit en samenleving veranderen gelijktijdig. Individuen kunnen een samenleving veranderen, net zoals een samenleving individuen verandert. De periode van verandering in de arbeidsorganisatie gaat gepaard met een sterke individualisering en ontkerkelijking. Die combinatie leidt tot het ‘presterende individu’. Dan gebeurt er iets vreemds: competitiviteit en maakbaarheid komen centraal te staan, maar de verbondenheid wordt vergeten. Je komt dan in concurrentie met iedereen, zelfs met jezelf: je wilt het perfecte lichaam en de perfecte gezondheid.”

“Buiten ons is er iets, maar ik ga dat niet verpersoonlijken.”

“Ik merkte dat collega’s na het weekend moe waren, niet door het werk, maar omdat ze heel het weekend druk bezig waren geweest, zelfs een marathon hadden gelopen, met de kinderen overal naartoe moesten… Vanaf een bepaald ogenblik moet heel ons leven prestatiegericht en perfect zijn, dan is het niet vreemd dat we opbranden. De paradox is dat veel bedrijven vandaag inzetten op de bescherming van hun werknemers, maar het heeft weinig effect omdat de wereld een ratrace geworden is. Als ik zie dat mijn kleinkinderen al een agenda hebben… Dus mijn denken daarover is wel geëvolueerd.” 

In Wijsheid geeft u aan dat, na het neoliberalisme, de wetenschap als een soort religie wordt gezien.
“Filosoof Walter Benjamin heeft het kapitalisme – waarvan het neoliberalisme het gevolg is – als een nieuwe religie voorgesteld in een van zijn ongepubliceerde geschriften uit de jaren 1930. Dat was visionair. Socioloog Max Weber heeft ook al vrij vroeg het idee van onttovering naar voren geschoven. De technologische toepassingen van wetenschap zijn zo krachtig geworden dat mensen denken dat er op alles een perfect wetenschappelijk antwoord zal komen. We denken dus geen religie meer nodig te hebben.”

“Naargelang de technologie vooruitgaat, lijken kunst en religie als antwoord op existentiële vragen plots overbodig. Ik zeg wel ‘lijken’. Daar komt een tweede evolutie bij: vanaf de jaren 1980 wordt het verschil tussen natuurwetenschappen en humane wetenschappen van tafel geveegd. Ze moeten voldoen aan dezelfde criteria: alles moet meetbaar zijn, met dezelfde methodologie, evidencebased… Als ik in mijn boek over ‘wetenschap’ spreek, dan bedoel ik natuurwetenschappen. Daarin kun je een vrij grote mate van zekerheid bereiken binnen het geldende paradigma, op voorwaarde dat het onderzoek gerepliceerd wordt. Natuurwetenschappelijk onderzoek is ontzettend krachtig, behalve als het gaat over het vertrekpunt en het doel. Daar kan wetenschap geen onderzoek naar doen en dus ook geen uitspraken over formuleren.”

“De wetenschap kan geen onderzoek doen naar oorsprong of doel.”

“De menswetenschappen daarentegen zijn de erfgenamen van kunst, religie en filosofie. Haar onderzoeksvragen zijn haast altijd moreel beladen en de antwoorden hangen heel sterk af van de context. Dus kun je nooit dezelfde algemeen geldige uitspraken doen als in de natuurwetenschap. Naar de vraag ‘wat is een goede onderwijsvorm?’ kun je inderdaad onderzoek doen, binnen een bepaalde context, zoals de regio en de sociaal-economische achtergrond van de leerlingen. Je conclusies gelden voor die populatie, bijvoorbeeld voor Antwerpen, maar zijn niet van toepassing voor de Brusselse rand. Je kunt dus nooit veralgemenen. Die illusie is het huidige drama van de menswetenschappen: dat hun onderzoeksresultaten even veralgemeenbaar zouden zijn als bij de natuurwetenschappen.”

“Dan lees je over een onderzoek in de krant en ’s anderdaags is er een andere onderzoeker die dat weerlegt, ook op basis van onderzoek. Op grond van dergelijke overbodige discussies wordt wetenschap zelf verdacht gemaakt. De juiste berichtgeving zou zijn dat de uitspraken alleen maar gelden binnen de context van het onderzoek. De relevante vraag wordt dan: wat is de context die maakt dat het anders is? Menswetenschap had dus de weg van de wijsheid moeten kiezen: we doen onderzoek met beperkte geldigheid, maar desondanks kunnen we wel bepaalde bevindingen naar voren schuiven. Anders krijg je arrogante uitspraken over bijvoorbeeld het beste onderwijssysteem.” 

Zit die overschatting ook niet in de natuurwetenschap?
“Mensen aan de top van de natuurwetenschap zijn vaak veel bescheidener. Ik legde dat aan mijn studenten uit met een eenvoudige metafoor. Op het einde van het tweede jaar tekende ik een cirkel op het bord, als voorstelling van de hoeveelheid kennis die ze verworven hadden, en wees hen op de grenzen: de omtrek van de cirkel, waar hun kennis stopte. Vervolgens tekende ik een tweede, veel grotere cirkel rond de eerste, als illustratie van hun kennistoename de volgende jaren. En dan vroeg ik hen eens te kijken hoeveel groter de omtrek geworden was, en dus hun botsing met het niet-weten. Hoe groter je kennis, des te meer besef je dat er nog zoveel meer te weten is en des te groter je twijfel. Dat is ook in de natuurwetenschappen zo. Dus eigenlijk: als je niet wilt twijfelen, moet je je kennis beperken (lacht).”

Wijsheid en kennis horen samen, maar die band zijn we onderweg kwijtgeraakt, zegt u?
“Natuurwetenschappen helpen ons bij het verwerven van toepasbare kennis. We hadden al veel praktische kennis opgedaan vooraleer de moderne wetenschap ontstond. Toen ging het over functionaliteit: werkt het of niet? De wetenschap heeft die draad opgepikt, uiteindelijk met hetzelfde doel: het verbeteren van ons leven. Vanaf het begin der mensheid zijn we op zoek naar wijsheid, dat wil zeggen naar antwoorden op existentiële vragen: waar komen we vandaan, waar gaan we naartoe, wat is de zin van ons bestaan, wat is liefde, hoe voeden we onze kinderen het best op? Onze praktische en natuurwetenschappelijke kennis kan daar geen harde antwoorden op geven, vandaar dat we religie, kunst en filosofie ontwikkelden. Ondertussen weten we dat de antwoorden op die vragen contextueel zijn, en dus anders naargelang het land, de sociale klasse enzovoort. Door de eeuwen heen hebben we wel een schatkamer aan wijsheden opgebouwd – in religie, kunst, cultuur – waaruit we kunnen putten wanneer we met die vragen geconfronteerd worden.”

We vernietigen onszelf, volgens u, als we kennis en wijsheid niet koppelen.
“Dan komen we bij een derde factor: macht. Laat ons aannemen dat de mensen die met kennis bezig zijn ook wijs zijn, dat ze beseffen dat kennis limieten kent en vooral dat de toepassingen moreel beladen zijn en ze daarmee rekening moeten houden. In een ideale wereld zou dat op die manier werken. In de echte, morsige wereld komt de macht ertussen fietsen, die zegt: wij gaan dat gebruiken, omdat het ons goed uitkomt, wij beslissen wat er met jullie kennis en de mogelijke toepassingen gebeurt. Dan kom je bij machtsstructuren. Dat is niet de schuld van de wetenschap. Zo verwittigen de natuurwetenschappers al honderd jaar voor de klimaatverandering. Het is de macht die weigert om er iets mee te doen, of het zelfs ronduit blijft ontkennen. Op die manier worden wetenschap en wetenschappers zelfs misbruikt. Kijk maar wat er in de VS gebeurt: universiteiten die simpelweg gechanteerd worden.”

U zegt dat de joods-christelijke visie op schepping meegewerkt heeft aan die onderwerping en dreigende ondergang.
“Onze interpretatie van de scheppingsteksten uit Genesis heeft daar inderdaad sterk toe bijgedragen en keerde tot voor kort ook terug in de visie van de wetenschap op de natuur: wij staan erboven en erbuiten. Vandaag is er een paradigmashift bezig in de wetenschap. Vroeger lag het accent op het analytisch en specialistisch werken, wat veel kennis opleverde, maar ook een tunnelvisie. Nu neemt de overtuiging dat alles met alles samenhangt hand over hand toe, wat een veel minder vrijblijvende benadering oplevert. We zijn zelf een onderdeel van het geheel en beïnvloeden ongetwijfeld ons onderzoek. Immanuel Kant wist dat ook al: we kunnen het Ding an sich niet kennen, kennis handelt altijd over das Ding für sich. Het Ding verandert niet, wij wel.”

 “We zijn de enige wezens met een zelfbewustzijn en dat geeft ons ook een verantwoordelijkheid.”

“Ik heb de indruk dat een vergelijkbare shift ook in religie aan de gang is: er komt meer aandacht voor de mens als onderdeel van de schepping, met een eigen verantwoordelijkheid. Het is daarom dat ik het boek eindig met het thema goed en kwaad. Dat is al schrijvend gekomen. De wetenschap geeft ons een betere visie op juist en fout, maar dat volstaat niet. We moeten de stap naar de wijsheid zetten en ook het onderscheid maken tussen goed en kwaad. En dan komen we bij individuele en collectieve verantwoordelijkheid en zo bij ethiek, religie en filosofie.”

We hadden het al over de grote vraag: waar gaan we heen? Hoe ziet u dat?
“Ik had in de humaniora een heel inspirerende leraar Grieks die het over de stoa had, waarin elk individueel leven een deel van de levensziel opnam en bij de dood terugkeerde naar het grote geheel. Als ik nu fysicus Thomas Hertog hoor zeggen dat we sterrenstof zijn en daarnaar terugkeren, zie ik daar een wetenschappelijk-pragmatische verwoording van de stoa. We leiden hier een tijdelijk bestaan en keren dan terug naar dat grotere geheel. Dat volg ik wel.”

“Of daar ook een oordeel aan gekoppeld wordt, zoals in religies, vind ik moeilijker te zeggen. Waar ik wel van overtuigd ben, is dat wij verantwoordelijk zijn voor wat we hier doen. Wir haben es nicht gewusst kan niet meer. We hebben blijkbaar niet de morele moed om paal en perk te stellen aan de klimaatverandering en aan de sociaal-economische ongelijkheid. Het zou best kunnen dat we daardoor het deksel op de neus krijgen. Of dat een gevolg is van een God die ons straft, weet ik niet. Dat we het zelf aan het doen zijn, weet ik wel, omdat we weigeren bepaalde keuzes te maken. We zijn waarschijnlijk de enige wezens met een zelfbewustzijn en dat geeft ons ook een verantwoordelijkheid. Daar geef ik religie gelijk. Ik geef in het boek het voorbeeld van de blauwwieren, die evolutionair zo succesvol geworden waren dat ze zichzelf bijna om zeep hielpen. Die hadden geen zelfbewustzijn en konden dus niet kiezen voor een andere richting. Wij kunnen dat wel.” 

Heeft u hoop voor de toekomst?
“Ik ben ervan overtuigd dat veel mensen de urgentie van de situatie en de nood aan wijsheid beseffen. We worden met onze neus op de feiten gedrukt. Jongvolwassenen kijken op een andere manier naar de wereld dan hun ouders. Twee nieuwe dingen maken voorspellingen onmogelijk: de klimaatverandering en de mondialisering, maar dat is geen excuus om bij de pakken te blijven neerzitten. Er wordt veel over Trump gesproken, maar wat te weinig gezegd wordt, is dat hij het product is van een maatschappelijke evolutie. Was hij er niet geweest, dan was het wel iemand anders. Zijn verdwijning zal niks oplossen.”

“Als je niet wilt twijfelen, moet je zorgen dat je kennis beperkt blijft.”

“Het drama is dat de onttovering van Weber – de hoop dat wetenschap op alles een antwoord biedt – een giftige combinatie aangegaan is met een hyperindividualistische en competitieve samenleving gericht op consumptie, met als gevolg een gigantisch probleem van zingeving. En we krijgen dus nu in de psychiatrie zingevingsdepressies. Vroeger draaiden die rond problemen met relaties en werk. Vandaag zien we succesvolle mensen zich afvragen: wat moet ik ermee? Zingeving berust altijd op een gemeenschappelijk ideaal en narratief. In Europa is dat nu ‘houden wat we hebben’, maar dat is geen doel. Dan kun je alleen maar verliezen. En we hebben ook geen groot verhaal meer. In het beste geval zal dat een ecologisch narratief worden over onze plaats op de aarde, in de natuur, binnen het geheel. En ons doel moet zijn dat op een goede manier te beheren en dan kom je weer uit bij een gemeenschappelijke zingeving. Dat kan een nieuwe spiritualiteit met zich meebrengen.” 

Bio

Paul Verhaeghe (1955) is emeritus hoogleraar psychoanalyse en psychologie. Hij was hoofd van de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie aan de UGent. Hij schreef een reeks succesvolle boeken waaronder Het einde van de psychotherapie (2009), Identiteit (2012), Autoriteit (2015), Intimiteit (2018) en Onbehagen (2023).

Paul Verhaeghe, Wijsheid, De Bezige Bij, 2025, 160 blz. Te bestellen via depeerle@telenet.be

Boeiend artikel? Deel het dan met je vrienden via:

Verder lezen?

Log in op uw Tertio account en lees meteen verder

Nog geen account? Neem een digitaal abonnement en lees meteen verder.
Of maak een Tertio proefaccount aan en lees 1 maand gratis online!

Lees ook deze artikels...

Inloggen

Nog geen abonnee? Koop makkelijk en veilig uw abonnement.
Enkel digitaal lezen? Neem een digitaal abonnement.

Sluiten

Tertio nieuwsbrief

Interessant artikel? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en blijf zo op de hoogte van al onze nieuwste bijdragen, evenementen en aanbiedingen.