Wanneer we de term ‘progressief’ ontleden, zien we dat die vandaag vaak bijna uitsluitend wordt gedefinieerd vanuit een hyperindividualistisch autonomiebegrip. Vooruitgang wordt dan gelijkgesteld met een haast onbegrensd zelfbeschikkingsrecht van het individu. Dat impliceert niet alleen dat individuele beslissingen moeten worden gerespecteerd, maar ook dat ze nauwelijks nog in vraag mogen of kunnen worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan de eis om de wettelijke bedenktijd bij een zwangerschapsonderbreking af te schaffen.
Komen we zo niet tot een erg eenzijdige lezing van menselijke vooruitgang? Blijft het relationele aspect van ons menselijk bestaan daardoor niet te veel buiten beeld?
Die visie op wat ‘ethisch progressief’ is, duwt het debat in een impasse. Een karikatuur maken van wie kritiek heeft op die opvatting, helpt dan al zeker niet. Een vruchtbaar maatschappelijk debat begint bij de erkenning van onze gedeelde kwetsbaarheid en van de zoektocht naar hoe we daar het best mee omgaan.
Framen
Laten we ethische kwesties zoals abortus en euthanasie niet langer framen als een triomf van het zelfbeschikkingsrecht, maar evenmin als een soort genocide op het ongeboren of ongeneeslijk zieke leven, zoals sommige groepen doen. Dat sluit aan bij de oorspronkelijke geest van de depenaliseringswet van 1990, die abortus uitdrukkelijk beschouwde als een uiterste oplossing in een noodsituatie. Dat was een erkenning van menselijke tragiek, niet van een onvoorwaardelijk recht.
Wanneer we deze nuance verliezen, verliezen we ook een stuk menselijkheid in onze debatten.
“Laten we ethische kwesties zoals abortus en euthanasie niet langer framen als een triomf van het zelfbeschikkingsrecht, maar evenmin als een soort genocide op het ongeboren of ongeneeslijk zieke leven”
Noodsituaties zijn inherent aan het menselijke bestaan. Het is belangrijk dat we daar zo goed mogelijk mee omgaan. Laten we ook durven erkennen dat in sommige gevallen zelfs de beste psychische en financiële hulp niet zal volstaan om af te zien van abortus. De vraag is dan: hoe kunnen we hier op de meest menswaardige manier mee omgaan, zonder te ideologiseren, te dogmatiseren of te sterk te juridiseren?
Het recht op abortus in de Grondwet verankeren lijkt daarom geen goede keuze. Abortus is immers geen mensenrecht. Wel kan de wetgever aangeven binnen welke grenzen een abortus aanvaardbaar is, met aandacht voor zowel de veiligheid van de vrouw als de bescherming van de foetus. Anders gezegd: als het dan toch gebeurt – en het gebeurt – laat het dan plaatsvinden binnen een helder wettelijk kader.
Proportionalisme
Een personalistische ethiek ziet in het proportionalisme een behulpzaam instrument om zo menswaardig mogelijk met de vraag naar abortus om te gaan. Proportionalisten zullen abortus nooit als iets positiefs voorstellen en relativeren evenmin de waarde van de foetus. Wel gaan ze ervan uit dat ethische beslissingen altijd worden genomen in een gebroken en onvolmaakte werkelijkheid.
Daarin is het onvermijdelijk dat waarden soms met elkaar botsen: het leven van de moeder, haar psychische gezondheid na bijvoorbeeld een verkrachting, of andere ernstige noodsituaties. De officiële kerkelijke moraal wijst deze proportionalistische waardenafweging jammer genoeg nog steeds af. Ook binnen de Kerk blijft er dus nood aan ontmijning en dialoog, zonder elkaar te verketteren.
Minister Verlinden zal met haar compromis noch de voor- noch de tegenstanders van abortus volledig kunnen behagen. Toch siert het haar dat ze zich niet laat leiden door een vaag en ambigu discours over ‘ethisch progressief’, maar kiest voor de kardinale deugd van de prudentia – de wijze bedachtzaamheid – met aandacht voor zowel de moeder als de foetus.
Meer opinies van
Johan Van der Vloet
