Al vanaf het begin van de mensheid moet dat gevoel hebben bestaan. Onze verre voorouders keken verbluft naar een zonsverduistering en zagen er goddelijke krachten in. Vandaag blijft dat oergevoel overeind, ondanks de onttovering door wetenschap en techniek. Het expliciete geloof in een Schepper mag dan sterk zijn afgenomen, toch blijven heel veel mensen in de natuur een mythische dimensie ervaren. Dat oerverlangen naar verbondenheid met de natuur geeft ons een ’thuisgevoel’.
Kwetsbaarheid
Tegelijk worden we geconfronteerd met onze kwetsbaarheid tegenover de natuur. Bij de Bijbelse profeten gold een zonsverduistering als een teken van het naderende einde der tijden. Ook vandaag verbinden sommigen de eclips met de ondergang van de wereld. Niet verwonderlijk: doembeelden van brandende bossen, smeltende gletsjers en slopende hittegolven – om nog te zwijgen over de dreiging van oorlog – zetten ons collectieve angstsysteem sowieso al op scherp. Je hoort de vraag steeds vaker: is de wereld aan het vergaan?
Het einde van de aarde is er nog lang niet, maar we voelen wel aan dat de planeet prima zonder ons kan. Dat is een ontnuchterende gedachte. Sommigen zien daarin een reden voor extreme nederigheid en pleiten voor een zoöcentrisch wereldbeeld, waarin de mens niet langer de norm is. Vooral omdat de mens in die visie zichzelf om zeep helpt. Toch wringt dat: wat is de aarde zonder de mens? Zonder ons geen wezen dat haar kan bewonderen, doorgronden, vrezen en koesteren – met alle goede en slechte kanten van dien.
Rentmeester
In de christelijke traditie neemt de mens een unieke plek in binnen de schepping. De vroege kerkvaders riepen hun toehoorders op om te beseffen dat God de mens als ‘koning van de schepping’ bedoeld heeft, niet om haar te overheersen, maar om er zorgzaam mee om te gaan. Maar via de Verlichting, de industrialisatie tot het latere neoliberale denken is dat idee ontspoord: van een zorgzame koning en rentmeester die vol dankbaarheid voor de schepping zorgt, gingen we de aarde uitbuiten.
“Het herontdekken van dat rentmeesterschap biedt een veel hoopvoller perspectief dan een fatalistisch berusten in de ondergang van de mensheid”
Het herontdekken van dat rentmeesterschap biedt een veel hoopvoller perspectief dan een fatalistisch berusten in de ondergang van de mensheid.
Ommekeer
In de Bijbelse traditie zijn apocalyptische beelden nooit bedoeld als een definitief ‘eindverhaal’, maar als een dringende oproep tot ommekeer. Waar puur doemdenken verlamt, nodigt de roep om bekering juist uit tot actie. Ommekeer betekent immers dat de weg waarop we wandelen geen doodlopende weg hoeft te zijn, mits we durven bijsturen.
In het inzicht dat het zo niet langer kan, ligt de kiem van de hoop besloten: door koers te wijzigen, scheppen we weer toekomst.
Nieuwe wegen
“Rond het middaguur werd het donker in het hele land, tot rond drie uur in de middag; het zonlicht faalde. Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor”, schrijft de evangelist Lucas over de dood van Jezus. Het licht gaat letterlijk uit.
Ook vandaag ervaren we die angst. Het voorhangsel – onze illusie van totale controle en maakbaarheid – scheurt. Maar de duisternis heeft niet het laatste woord. Het verhaal eindigt niet bij de dood, maar opent via de verrijzenis een nieuw perspectief. Het christelijk geloof kijkt niet weg van de harde realiteit, maar weigert zich neer te leggen bij wanhoop. Het houdt de deur naar herstel en ommekeer wijd open.
In het huidige maatschappelijke debat ontbreekt vaak precies die balans: we slingeren heen en weer tussen verlammende doemscenario’s en naïef technologisch optimisme. Het is aan christenen om een derde weg in te brengen: actieve, hoopvolle verantwoordelijkheid. En dat mogen ze best wat meer doen.
Meer opinies van
Johan Van der Vloet
