Zij spreekt mijn naam uit
en ik hoor weer wie
ik nooit te zien krijg;
ik hoor ironie
en wat vertedering –
en zij krijgt een gezicht
dat ik nooit zien zal,
want het luik blijft dicht.
De hoofddoek valt
wanneer zij opendoet
voor die ene priester
en mij iets tegemoet
waait van clausuur
en kluis en klooster,
iets wrangs én zoets…
Het tralierooster
waarachter zij in ’t koor
der medezusters zingt
heeft maar één poortje,
en daaraan ontspringt
als ik de mis dien en
zij te communie gaan,
een tong die hongert –
en zij heeft geen naam.
Verder lezen?
Log in op uw Tertio account en lees meteen verder
Nog geen account? Neem een digitaal abonnement en lees meteen verder.
Of maak een Tertio proefaccount aan en lees 1 maand gratis online!
Lees ook
